Dutch Legislation

Article 3:8

in force

Pregnancy, childbirth, adoption and foster care · Benefit in connection with pregnancy, childbirth, adoption and foster care · § The employee and the person treated as such

Work and Care Act (WAZO) · Chapter 3 · Section 2 · § 1 · In force since 2018-04-01

Source
1.

The female equivalent is entitled to a benefit for a period of at least sixteen weeks in connection with her pregnancy and confinement, in accordance with the second and third paragraphs.

2.

The right to a benefit in connection with pregnancy commences six weeks before the day following the expected date of delivery, or ten weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child, as indicated in a written statement from a physician or midwife, up to and including the day of delivery. If the female person treated as equivalent so wishes, the right to a benefit in connection with pregnancy shall commence at a later time, but no later than four weeks before the day following the expected date of delivery or no later than eight weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child.

3.

The right to a benefit in connection with childbirth commences on the day after the childbirth and amounts to ten consecutive weeks, increased by the number of days that the benefit in connection with pregnancy up to and including the expected date of childbirth, or, if it occurred earlier, up to and including the actual date of childbirth, amounted to less than six weeks or, if it concerns a pregnancy of more than one child, less than ten weeks.

4.

For the application of the third paragraph, days in respect of which the female equivalent has received sickness benefit during the period in which she is entitled to a benefit in connection with pregnancy, but for which that benefit has not yet commenced, shall be regarded as days in respect of which she has received a benefit in connection with pregnancy.

5.

If a child is hospitalised due to its medical condition during the period in which a right to maternity benefit exists, the right to maternity benefit shall be extended by the time the child has spent in the hospital, from the eighth day of admission up to and including the last day on which the right to benefit exists, up to a maximum of ten weeks. The extension of the right to maternity benefit referred to in the first sentence shall apply exclusively insofar as the hospitalisation referred to therein lasts longer than the number of days by which the maternity benefit is extended as a result of the actual date of birth pursuant to the third paragraph. Article 3:3, second paragraph, shall apply mutatis mutandis.

1.

De vrouwelijke gelijkgestelde heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken, overeenkomstig het tweede en derde lid.

2.

Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke gelijkgestelde dat wenst vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.

3.

Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.

4.

Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke gelijkgestelde ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten.

5.

Als een kind tijdens de periode waarop een recht op uitkering in verband met bevalling bestaat vanwege zijn medische toestand in het ziekenhuis is opgenomen, wordt het recht op uitkering in verband met bevalling verlengd met de tijd dat het kind in het ziekenhuis heeft doorgebracht vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag waarop het recht op uitkering bestaat tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het recht op uitkering in verband met de bevalling is uitsluitend van toepassing voor zover de aldaar bedoelde ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee de uitkering in verband met de bevalling als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd. Artikel 3:3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.