Dutch Legislation

Article 6:3

in force

Parental leave · § Form of leave

Work and Care Act (WAZO) · Chapter 6 · § 1 · In force since 2024-01-01

Source
1.

An employee as referred to in Article 3:6, paragraph 1, preamble and part a, shall, during the period in which the child has not yet reached the age of one year, be entitled to a benefit for a period of at most nine times the working hours per week, during which he enjoys the leave referred to in Article 6:1, paragraph 1. If the employee enjoys leave as referred to in Article 6:1, paragraph 2, in connection with an adopted child or a foster child, the entitlement to benefit shall, by way of derogation from the previous sentence, exist during the first year after the day of the actual taking into care for adoption or as a foster child and insofar as the child has not yet reached the age of eight years.

2.

If the employee enters into a family law relationship with more than one child as of the same point in time, or if the employee has taken on the care and upbringing of more than one child with a view to adoption as of the same point in time, there shall be a right to a benefit in respect of each of those children. If the employee has taken on the care and upbringing of more than one child with a view to a foster child as of the same point in time, there shall only be a right to a benefit once.

3.

The benefit amounts per day to 70% of the employee's daily wage, as referred to in Article 3:6, paragraph 1, preamble and part a, of the Act, but no more than 70% of the amount referred to in Article 17, paragraph 1, of the Social Insurance Financing Act (Wet financiering sociale verzekeringen), in relation to a wage period of one day.

4.

The daily wage, as referred to in the third paragraph, shall be calculated on the basis of 1/261st part of the wage, as referred to in Chapter 3 of the Financing of Social Insurance Act, which the employee earned in the period of one year ending on the last day of the second declaration period preceding the declaration period in which the entitlement to the benefit arose, on the basis of the employment contract or the public-law appointment from which that entitlement arose.

5.

Further and, if necessary, divergent rules shall be established by Order in Council regarding the determination and revision of the daily wage, including, inter alia, the determination and revision of the daily wage where the employee has been employed by his employer for less than one year.

6.

Article 16 of the Sickness Benefits Act (Ziektewet) applies mutatis mutandis to a daily wage determined on the basis of this article.

7.

An employee whose employment relationship is not considered an employment contract pursuant to Article 6 of the Sickness Benefits Act (Ziektewet) and who, solely for that reason, is not regarded as an employee within the meaning of that Act, is entitled to a benefit as referred to in the first or second paragraph. The benefit shall amount to 70% of the wage, as referred to in Article 8, first paragraph, point (b), of the Minimum Wage and Minimum Holiday Allowance Act, pro rata to the agreed working hours per week, if his right to a benefit cannot be determined in accordance with the third through sixth paragraphs. For the calculation of the benefit, a working duration of 36 hours per week shall be assumed.

8.

A benefit as referred to in this article shall not be paid out if, for the same period, there is an entitlement to a benefit in connection with pregnancy and childbirth, or adoption or foster care as referred to in Chapter 3, or a benefit in connection with supplementary birth leave as referred to in Chapter 4.

1.

Een werknemer als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, heeft gedurende de periode dat het kind de leeftijd van een jaar nog niet heeft bereikt recht op uitkering over een periode van ten hoogste negen maal de arbeidsduur per week, waarin hij het verlof, bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, geniet. Indien de werknemer verlof als bedoeld in artikel 6:1, tweede lid, geniet in verband met een geadopteerd kind of een pleegkind, bestaat het recht op uitkering in afwijking van de vorige zin gedurende het eerste jaar na de dag van de feitelijke opneming ter adoptie of als pleegkind en voor zover het kind de leeftijd van acht jaren nog niet heeft bereikt.

2.

Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan of indien de werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op uitkering. Indien de werknemer met het oog op een pleegkind met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen bestaat er slechts recht op één keer een uitkering.

3.

De uitkering bedraagt per dag 70% van het dagloon van de werknemer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, doch ten hoogste 70% van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

4.

Het dagloon, bedoeld in het derde lid, wordt berekend aan de hand van 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de werknemer in de periode van een jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak, waarin het recht op de uitkering is ontstaan, verdiende op grond van de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling waaruit dat recht is ontstaan.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling en de herziening van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld, onder meer over de vaststelling en de herziening van het dagloon wanneer de werknemer korter dan een jaar heeft gewerkt bij zijn werkgever.

6.

Op een op grond van dit artikel vastgesteld dagloon is artikel 16 van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing.

7.

Een werknemer wiens arbeidsverhouding niet wordt beschouwd als dienstbetrekking op grond van artikel 6 van de Ziektewet en die uitsluitend om die reden niet wordt aangemerkt als werknemer in de zin van die wet, heeft recht op een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid. De uitkering bedraagt naar rato van de overeengekomen arbeidsduur per week 70% van het loon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, indien zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig het derde tot en met zesde lid. Bij de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uren per week.

8.

Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt niet uitbetaald als over dezelfde periode recht bestaat op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dan wel adoptie of pleegzorg als bedoeld in hoofdstuk 3 of een uitkering in verband met aanvullend geboorteverlof als bedoeld in hoofdstuk 4.