Article 30
in forceFreedom of movement · § Leaving the institution
The director may, with the authorisation of Our Minister, grant a juvenile residing in an institution for the purpose of the execution of a custodial sentence or a custodial measure, other than as referred to in Article 29, paragraph 1, the opportunity to leave the institution by way of leave.
Leaving the institution referred to in the first paragraph does not suspend the execution of the custodial sentence or the custodial measure.
As a general condition, it applies that the juvenile shall not commit any criminal offence during the leave. The director may attach special conditions to the leave, concerning the conduct of the juvenile.
The director may revoke the leave if this is necessary with a view to the protection of society against the dangerousness of the juvenile to the safety of others than the juvenile or the general safety of persons or property, or if the juvenile fails to comply with a specific condition.
Further rules regarding the departure from the institution by way of leave shall be laid down by or pursuant to an Order in Council. These shall in any event concern the criteria that a juvenile must meet in order to be eligible for leave, the authority to grant, refuse, restrict, and revoke leave and the manner thereof, as well as the duration, frequency, and purpose of the leave and the conditions that may be attached to the leave.
De directeur kan met machtiging van Onze Minister een jeugdige die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, anders dan bedoeld in artikel 29, eerste lid, in de gelegenheid stellen de inrichting te verlaten bij wijze van verlof.
Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet op.
Als algemene voorwaarde geldt dat de jeugdige zich tijdens het verlof niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. De directeur kan aan het verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende, verbinden.
De directeur kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur, frequentie en het doel van het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.