Article 24
in forceFreedom of movement · § Provisional measures
The director may exclude the juvenile from staying in the group or from participating in one or more activities, with the exception of the daily stay in the open air referred to in Article 53, paragraph 5:
if this is necessary in the interest of the order or the security of the institution or for an undisturbed execution of the deprivation of liberty;
if this is necessary for the protection of the minor concerned;
in the event of a report of illness or illness of the youth concerned;
if the juvenile requests this and the director deems this request reasonable and practicable.
The exclusion pursuant to the first paragraph, under (a) or (b), shall last for a maximum of two days. The director may extend this exclusion for a maximum of two days at a time, if he has reached the conclusion that the necessity for the exclusion still exists.
If immediate enforcement of the exclusion, as referred to in the first paragraph, under (a) or (b), is required, a staff member or employee may impose the measure referred to in the first paragraph for a period of no more than fifteen hours.
The measure of exclusion from staying in the group or from participating in one or more activities shall be carried out in the room of the juvenile.
The director shall keep a record in a register of the imposition of the measure of exclusion, as referred to in the first and second paragraphs, and the extension, as referred to in the second paragraph. In the event of application of the third paragraph, the record shall be made by the staff member or employee concerned.
De directeur kan de jeugdige uitsluiten van het verblijf in de groep of de deelname aan een of meer activiteiten behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid:
indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;
in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige;
indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste twee dagen. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten hoogste twee dagen verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.
Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode van ten hoogste vijftien uren treffen.
De maatregel van uitsluiting van het verblijf in de groep of van de deelname aan een of meer activiteiten wordt ten uitvoer gelegd op de kamer van de jeugdige.
De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het derde lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker gemaakt.