Article 3:18
in forceZwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg · Uitkering in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg
The female professional under an employment contract is entitled to a benefit during the period in which pregnancy and maternity leave is enjoyed in accordance with Article 3:1, paragraphs 2 and 3. Article 3:1, paragraph 5, and Article 3:3, paragraph 2, second sentence, apply mutatis mutandis.
The female self-employed person is entitled to a benefit for a period of at least sixteen weeks in connection with her pregnancy and childbirth. Article 3:1, paragraph 5, and Article 3:3, paragraph 2, second sentence, apply mutatis mutandis.
The right to a benefit in connection with pregnancy commences six weeks before the day following the expected date of delivery, or ten weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child, as indicated in a written statement from a physician or midwife, up to and including the day of delivery. If the female self-employed person so wishes, the right to a benefit in connection with pregnancy shall commence at a later time, but no later than four weeks before the day following the expected date of delivery or no later than eight weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child.
The right to a benefit in connection with childbirth commences on the day following the childbirth and amounts to ten consecutive weeks, increased by the number of days that the benefit in connection with pregnancy up to and including the expected date of childbirth, or, if it occurred earlier, up to and including the actual date of childbirth, amounted to less than six weeks or, if it concerns a pregnancy of more than one child, less than ten weeks.
For the application of the fourth paragraph, days in respect of which the female self-employed person has received sickness benefit during the period in which she is entitled to a benefit in connection with pregnancy, but for which that benefit has not yet commenced, shall be designated as days in respect of which she has received a benefit in connection with pregnancy.
A foreign national who does not reside lawfully in the Netherlands within the meaning of Article 8, points (a) through (e) and (l), of the Aliens Act 2000 (Vreemdelingenwet 2000) is not entitled to benefits.
By Order in Council, a derogation may be made from the sixth paragraph with regard to:
aliens who lawfully perform, or have performed, work in the Netherlands;
aliens who, after having held lawful residence within the meaning of Article 8, points (a) through (e) and (l) of the Aliens Act 2000, have lawful residence in the Netherlands as referred to in Article 8, point (g) or (h), of the Aliens Act 2000.
Without prejudice to the sixth and seventh paragraphs and the provisions based thereon, a right to a benefit exists for the person for whom this right arises from the application of provisions of a treaty or of a decision of an international organization, and no right to a benefit exists for the person to whom the legislation of another power is applicable on the basis of a treaty or a decision of an international organization.
By or pursuant to an Order in Council, in deviation from the sixth paragraph and from Article 3:17, paragraph 1, the circle of insured persons may be extended or restricted.
The self-employed person, the professional performing work under an employment contract, or the person whose employment relationship is equated with an employment relationship as referred to in Article 4 or 5 of the Sickness Benefits Act (Ziektewet), and who is a partner as referred to in Article 3:1a, paragraph 2, shall, if the mother dies during the period in which there is a right to a benefit pursuant to Article 3:7, 3:8 or 3:18, have a right to a benefit for the remaining number of weeks for which the mother would still have had a right to a benefit, on the understanding that Article 3:1, paragraph 5, applies mutatis mutandis.
The self-employed person, the professional under an employment contract, or the person whose employment relationship is equated to an employment relationship as referred to in Article 4 or 5 of the Sickness Benefits Act (Ziektewet), and who is a partner as referred to in Article 3:1a, paragraph 2, is entitled to a benefit if the mother, who had no right to maternity leave or a benefit as referred to in Section 2 of Chapter 3, dies before ten weeks have elapsed since the day of the child's birth. The right exists from the day of death and ends ten weeks after the day of the child's birth, provided that Article 3:1, paragraph 5, applies mutatis mutandis.
De vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op uitkering. Artikel 3:1, vijfde lid, en artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken. Artikel 3:1, vijfde lid, en artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.
Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.
Voor de toepassing van het vierde lid worden dagen waarover de vrouwelijke zelfstandige ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten.
Geen recht op uitkering heeft de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het zesde lid ten aanzien van:
vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zo nodig in afwijking van het zesde en het zevende lid en de daarop berustende bepalingen, bestaat recht op een uitkering voor de persoon voor wie dit recht voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en bestaat geen recht op een uitkering voor de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het zesde lid en van artikel 3:17, eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden.
De zelfstandige, de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, of de persoon wiens arbeidsverhouding gelijkgesteld is met een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 of 5 van de Ziektewet, en die partner is als bedoeld in artikel 3:1a, tweede lid, heeft, indien de moeder overlijdt tijdens de periode, waarin recht op uitkering bestaat op grond van artikel 3:7, 3:8 of 3:18, recht op uitkering gedurende het resterende aantal weken waarover voor de moeder nog recht op uitkering zou bestaan, met dien verstande dat artikel 3:1, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing is.
De zelfstandige, de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de persoon wiens arbeidsverhouding gelijkgesteld is met een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 of 5 van de Ziektewet, en die partner is als bedoeld in artikel 3:1a, tweede lid, heeft recht op uitkering, indien de moeder, die geen recht had op bevallingsverlof of een uitkering als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3, overlijdt voordat tien weken na de dag van de geboorte van het kind zijn verstreken. Het recht bestaat vanaf de dag van overlijden en eindigt tien weken na de dag van de geboorte van het kind, met dien verstande dat artikel 3:1, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing is.