Article 3
in forceGENERAL PROVISIONS
1. This Directive shall apply to third-country nationals who apply to be admitted to the territory of a Member State for the purpose of highly qualified employment under the terms of this Directive.
2. This Directive shall not apply to third-country nationals:
(a) who are authorised to reside in a Member State on the basis of temporary protection or have applied for authorisation to reside on that basis and are awaiting a decision on their status;
(b) who are beneficiaries of international protection under Council Directive 2004/83/EC of 29 April 2004 on minimum standards for the qualification and status of third-country nationals or stateless persons as refugees or as persons who otherwise need international protection and the content of the protection granted (15) or have applied for international protection under that Directive and whose application has not yet given rise to a final decision;
(c) who are beneficiaries of protection in accordance with national law, international obligations or practice of the Member State or have applied for protection in accordance with national law, international obligations or practice of the Member State and whose application has not given rise to a final decision;
(d) who apply to reside in a Member State as researchers, within the meaning of Directive 2005/71/EC, in order to carry out a research project;
(e) who are family members of Union citizens who have exercised, or are exercising, their right to free movement within the Community in conformity with Directive 2004/38/EC of the European Parliament and of the Council of 29 April 2004 on the right of citizens of the Union and their family members to move and reside freely within the territory of the Member States (16);
(f) who enjoy EC long-term resident status in a Member State in accordance with Directive 2003/109/EC and exercise their right to reside in another Member State in order to carry out an economic activity in an employed or self-employed capacity;
(g) who enter a Member State under commitments contained in an international agreement facilitating the entry and temporary stay of certain categories of trade and investment-related natural persons;
(h) who have been admitted to the territory of a Member State as seasonal workers;
(i) whose expulsion has been suspended for reasons of fact or law;
(j) who are covered by Directive 96/71/EC of the European Parliament and of the Council of 16 December 1996 concerning the posting of workers in the framework of the provision of services (17) as long as they are posted on the territory of the Member State concerned.
In addition, this Directive shall not apply to third-country nationals and their family members, whatever their nationality, who, under agreements between the Community and its Member States and those third countries enjoy rights of free movement equivalent to those of Union citizens.
3. This Directive shall be without prejudice to any agreement between the Community and/or its Member States and one or more third countries, that lists the professions which should not fall under this Directive in order to assure ethical recruitment, in sectors suffering from a lack of personnel, by protecting human resources in the developing countries which are signatories to these agreements.
4. This Directive shall be without prejudice to the right of the Member States to issue residence permits other than an EU Blue Card for any purpose of employment. Such residence permits shall not confer the right of residence in the other Member States as provided for in this Directive.
1. Deze richtlijn is van toepassing op onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen om toegang te krijgen tot het grondgebied van een lidstaat met het oog op een hooggekwalificeerde baan in de zin van deze richtlijn.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
a) onderdanen van derde landen die in een lidstaat mogen verblijven op basis van tijdelijke bescherming of die een aanvraag in die zin hebben ingediend en in afwachting zijn van een besluit over hun status;
b) onderdanen van derde landen die uit hoofde van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (15) internationale bescherming genieten of uit hoofde van die richtlijn een aanvraag hebben ingediend om in aanmerking te komen voor internationale bescherming, waarover nog geen definitieve beslissing is gegeven;
c) onderdanen van derde landen die bescherming genieten overeenkomstig de nationale wetgeving, internationale verplichtingen of de rechtspraktijk van de betrokken lidstaat of die een aanvraag hebben ingediend voor bescherming overeenkomstig de nationale wetgeving, internationale verplichtingen of de rechtspraktijk van de lidstaten en over wier aanvraag geen definitief besluit is genomen;
d) onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen om als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG in een lidstaat te mogen verblijven om een onderzoeksproject uit te voeren;
e) onderdanen van derde landen die gezinslid zijn van burgers van de Unie die hun recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap uitoefenen of hebben uitgeoefend overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (16);
f) onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene in een lidstaat hebben overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG en hun recht uitoefenen om in een andere lidstaat te verblijven om daar een economische activiteit als werknemer of zelfstandige te verrichten;
g) onderdanen van derde landen die een lidstaat binnenkomen op grond van internationale overeenkomsten die de toegang en het tijdelijk verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en investeringen gemakkelijker maken;
h) onderdanen van derde landen die als seizoensarbeider zijn toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat;
i) onderdanen van derde landen wier uitzetting op feitelijke of juridische gronden is opgeschort;
j) onderdanen van derde landen die onder Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (17) vallen, zolang deze op het grondgebied van de betrokken lidstaat ter beschikking zijn gesteld.
Bovendien is deze richtlijn niet van toepassing op onderdanen van derde landen en hun gezinsleden die, ongeacht hun nationaliteit, op grond van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten en die landen, rechten inzake vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie.
3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan eventuele overeenkomsten tussen de Gemeenschap en/of haar lidstaten en een of meer derde landen waarin, om de menselijke hulpbronnen in de ontwikkelingslanden te beschermen, met het oog op een ethisch wervingsbeleid wordt bepaald welke beroepen niet onder deze richtlijn vallen omdat in de overeenkomstsluitende ontwikkelingslanden de betrokken sectoren te kampen hebben met een tekort aan arbeidskrachten.
4. Deze richtlijn doet niets af aan het recht van de lidstaten om, voor het verrichten van eender welk soort werk, andere verblijfsvergunningen dan een Europese blauwe kaart af te geven. Dergelijke verblijfsvergunningen verlenen geen recht op verblijf in de andere lidstaten als bepaald in deze richtlijn.