Dutch Legislation

Article 7:384

in force

Agricultural lease · The right of pre-emption of the lessee

Civil Code — Book 7 (specific contracts) · Title 5 · Section 11 · In force since 2007-09-01

Source
1.

The lessee who has exercised his right of first refusal and, within a period of ten years after such acquisition, alienates the acquired property in whole or in part, shall owe the lessor compensation as referred to in paragraphs 2 through 4.

2.

The compensation shall amount to the difference between the price paid by the lessee for that which was acquired and the value thereof in a state free of lease at the time of the acquisition.

3.

If the value in a lease-free state at the time of the alienation by the lessee is lower than the value in a lease-free state at the time of the acquisition, the compensation shall, in derogation from the second paragraph, amount to the difference between the price paid by the lessee for that which was acquired and the value thereof in a lease-free state at the time of the alienation.

4.

The compensation referred to in the second and third paragraphs shall decrease in each case by one-tenth for each year that has elapsed, calculated from the time of acquisition by the lessee, and shall furthermore be reduced proportionally in the event of the alienation of a part of the object.

5.

The provisions of paragraph 1 shall not apply:

a.

if the alienation takes place to the spouse or registered partner of the lessee, to one or more of his relatives by blood or by marriage in the direct line, to one or more of his foster children or to one or more of the co-lessees, on the understanding that if they proceed to the full or partial alienation of the object within the period referred to in the first paragraph, they shall be liable for the compensation referred to in the first paragraph;

b.

if the alienation is effected by one or more of the relatives by blood or affinity in the direct line of the lessee or by one or more of his foster children to one or more of their relatives by blood in the direct line or foster children, provided that if the latter proceed to the total or partial alienation of the object within the period referred to in the first paragraph, they shall owe the compensation referred to in the first paragraph.

6.

For the purposes of this Article, alienation shall also include: any agreement or other legal act, entered into or performed in any form and under any designation whatsoever, aimed at the transfer of that which has been acquired in another manner, which must be assumed would not have been entered into or performed if the compensation referred to in the first paragraph were not due.

1.

De pachter die van zijn recht van voorkeur gebruik heeft gemaakt en het uit dien hoofde verkregene binnen een periode van tien jaar na die verkrijging deels of geheel vervreemdt, is aan de verpachter een vergoeding verschuldigd als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.

2.

De vergoeding bedraagt het verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging.

3.

Indien de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de vervreemding door de pachter lager is dan de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging, bedraagt in afwijking van het tweede lid de vergoeding het verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de vervreemding.

4.

De in het tweede en derde lid bedoelde vergoeding neemt telkens af met ééntiende deel voor elk jaar dat verstreken is gerekend van de verkrijging door de pachter af en vermindert voorts naar evenredigheid indien sprake is van vervreemding van een deel van het object.

5.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing:

a.

indien de vervreemding plaatsvindt aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de pachter, aan één of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, aan één of meer van zijn pleegkinderen of aan één of meer van de medepachters, met dien verstande dat indien zij binnen de in het eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd zijn;

b.

indien de vervreemding plaatsvindt door één of meer van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de pachter of door één of meer van diens pleegkinderen aan één of meer van hun bloedverwanten in de rechte lijn of pleegkinderen, met dien verstande dat indien laatstgenoemden binnen de in het eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd zijn.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding mede verstaan: elke overeenkomst of andere rechtshandeling in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan of verricht, strekkende tot het anderszins overgaan van het verkregene, waarvan moet worden aangenomen dat zij niet zou zijn aangegaan of zou zijn verricht indien de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet zou zijn verschuldigd.