Dutch Legislation

Article 44

in force

Contact with the outside world

Juvenile Institutions Act · Chapter VIII · In force since 2011-01-01

Source
1.

The juvenile has the right, subject to the restrictions to be imposed in accordance with paragraphs two through four, to conduct one or more telephone conversations with persons outside the institution for ten minutes at least twice a week at the times and places established in the house rules and by means of a device designated for that purpose. The costs associated with this shall be borne by the juvenile, unless the director determines otherwise. In connection with the exercise of supervision as referred to in the second paragraph, telephone conversations may be recorded.

2.

The director may determine that supervision shall be exercised over telephone conversations conducted by or with the juvenile, if this is necessary to establish the identity of the person with whom the juvenile is conducting a conversation or with a view to an interest as referred to in Article 41, paragraph 4. This supervision may include listening to a live telephone conversation or listening to a recorded telephone conversation. The person concerned shall be notified of the nature and the reason for the supervision. Further rules regarding the recording of telephone conversations and the retention and provision of recorded telephone conversations shall be laid down by order in council.

3.

The director may refuse the opportunity to conduct a specific telephone conversation or telephone conversations, or may terminate a telephone conversation within the allotted time, if this is necessary with a view to an interest as referred to in Article 41, paragraph 4. The decision to refuse a specific telephone conversation or specific telephone conversations shall be valid for a maximum of four weeks.

4.

The juvenile shall be enabled to have telephone contact with the persons and institutions referred to in Article 42, paragraph 1, if the necessity and the opportunity for this exist. No supervision shall be exercised over these conversations other than to the extent necessary to establish the identity of the person or institution with whom the juvenile is having or wishes to have a telephone conversation.

1.

De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste tweemaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen en met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige. In verband met het uitoefenen van toezicht als bedoeld in het tweede lid, kunnen telefoongesprekken worden opgenomen.

2.

De directeur kan bepalen dat op de door of met de jeugdige gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de jeugdige een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.

3.

De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek of telefoongesprekken weigeren of een telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. De beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken geldt voor ten hoogste vier weken.

4.

De jeugdige wordt in staat gesteld met de in artikel 42, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaan. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover noodzakelijk is om de identiteit van de persoon of instantie met wie de jeugdige een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.