Dutch Legislation

Article 5

in force

Provisions regarding customer due diligence

Anti-Money Laundering Act (Wwft) · Chapter 2 · In force since 2026-01-01

Source
1.

Without prejudice to Article 4, an institution is prohibited from entering into a business relationship with or executing a transaction for a client, unless:

a.

she herself has conducted an investigation with regard to that client in accordance with Article 3, or an investigation has been conducted with regard to that client in accordance with Article 3 or in a manner equivalent thereto by:

1°.

an institution as referred to in Article 1a, paragraph 4, parts (a) up to and including (e), with its seat in the Netherlands or another Member State;

2°.

an institution as referred to in Article 1a, paragraph 4, point (f), to which a licence as referred to in Article 3, paragraphs 1 and 2, or Article 4, paragraph 1, point (c), of the Trust Offices Supervision Act 2018 (Wet toezicht trustkantoren 2018) has been granted;

3°.

an institution as referred to in Article 1a, paragraphs 2 and 3, or a branch thereof with its registered office or place of business, respectively, in the Netherlands or another Member State;

4°.

an institution as referred to under 1° or 3°, with its registered office in a state designated by Our Minister of Finance that is not a member state, in which state statutory provisions apply that are equivalent to the provisions of Article 3, paragraphs two up to and including five and seven, and Article 8, paragraph one, and in which state supervision is exercised over compliance with those provisions, or a branch of the institution in the Netherlands;

5°.

a branch or majority-owned subsidiary, established in a state that is not a Member State, of an institution as referred to in 1° or 3° with an establishment in the Netherlands or in another Member State, provided that the branch or the majority-owned subsidiary is part of the same group and fully complies with the policies and procedures applicable at the group level in accordance with Article 2f, paragraphs one to three inclusive;

b.

this investigation has led to the result referred to in Article 3, paragraph 2, preamble and parts a, b, c, e and f, and paragraphs 3 and 4; and

c.

The institution shall possess all identification and verification data and other data concerning the identity of the persons referred to in Article 3, paragraphs 2, 3 and 4.

2.

The supervisory authority may permit an institution, or a branch or subsidiary in the Netherlands of an institution with its registered office outside the Netherlands, to comply with the provisions of the first paragraph by means of policies and procedures applicable at the group level, if:

a.

the institution relies on information provided by a third party that is part of the same group;

b.

applies that set of customer due diligence measures, rules regarding the retention of evidence and programmes to combat money laundering and terrorist financing in accordance with the rules laid down by or pursuant to this Act; and

c.

supervision of the effective implementation of the provisions referred to in point (b) at group level shall be exercised by a competent authority of the home Member State or of a state that is not a Member State.

3.

If an institution is unable to comply with Article 3, paragraphs one through four and thirteen, point (a), in relation to a business relationship, the institution shall terminate that business relationship.

4.

Paragraphs 1 up to and including 3 do not apply to the cases referred to in Articles 6 and 7.

5.

It is prohibited for a bank or other financial institution to enter into or continue a correspondent relationship with a shell bank or with a bank or other financial institution that is known to permit a shell bank to make use of its accounts.

1.

Onverminderd artikel 4 is het een instelling verboden een zakelijke relatie aan te gaan met of een transactie uit te voeren voor een cliënt, tenzij:

a.

zij zelf ten aanzien van die cliënt onderzoek heeft verricht conform artikel 3, of ten aanzien van die cliënt onderzoek is verricht conform artikel 3 of op daarmee overeenkomende wijze door:

1°.

een instelling als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdelen a tot en met e, met zetel in Nederland of een andere lidstaat;

2°.

een instelling als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel f, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 is verleend;

3°.

een instelling als bedoeld in artikel 1a, tweede lid en derde lid, of een bijkantoor daarvan met zetel onderscheidenlijk vestigingsplaats in Nederland of een andere lidstaat;

4°.

een instelling als bedoeld onder 1° of 3°, met zetel in een door Onze Minister van Financiën aangewezen staat die geen lidstaat is, in welke staat wettelijke voorschriften van toepassing zijn die gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in artikel 3, tweede tot en met vijfde en zevende lid, en artikel 8, eerste lid, en er toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van die voorschriften, of een bijkantoor van de instelling in Nederland;

5°.

een bijkantoor of meerderheidsdochteronderneming, gevestigd in een staat die geen lidstaat is, van een instelling als bedoeld onder 1° of 3° met vestiging in Nederland of in een andere lidstaat, indien het bijkantoor of de meerderheidsdochteronderneming deel uitmaakt van dezelfde groep en volledig voldoet aan de op het niveau van de groep geldende gedragslijnen en procedures overeenkomstig artikel 2f, eerste tot en met derde lid;

b.

dit onderzoek heeft geleid tot het in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, c, e en f, derde en vierde lid bedoelde resultaat; en

c.

de instelling beschikt over alle identificatie- en verificatiegegevens en overige gegevens inzake de identiteit van de in artikel 3, tweede, derde en vierde lid, bedoelde personen.

2.

De toezichthoudende autoriteit kan toestaan dat een instelling, dan wel een bijkantoor of dochteronderneming in Nederland van een instelling met zetel buiten Nederland, het bepaalde in het eerste lid naleeft via de op het niveau van de groep geldende gedragslijnen en procedures, indien:

a.

de instelling zich verlaat op informatie verstrekt door een derde die deel uitmaakt van dezelfde groep;

b.

die groep cliëntenonderzoeksmaatregelen, regels inzake bewaring van bewijsstukken en programma’s ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering toepast overeenkomstig de bij of krachtens deze wet gestelde regels; en

c.

op de effectieve uitvoering van de in onderdeel b bedoelde voorschriften op het niveau van de groep toezicht wordt uitgeoefend door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst of van een staat die geen lidstaat is.

3.

Indien een instelling met betrekking tot een zakelijke relatie niet kan voldoen aan artikel 3, eerste tot en met vierde en dertiende lid, onderdeel a, beëindigt de instelling die zakelijke relatie.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de gevallen als bedoeld in de artikelen 6 en 7.

5.

Het is een bank of andere financiële onderneming verboden een correspondentrelatie aan te gaan of voort te zetten met een shellbank of met een bank of andere financiële onderneming waarvan bekend is dat deze een shellbank toestaat van haar rekeningen gebruik te maken.