Dutch Legislation

Article 53a

in force

Approved institutions · Werkzaamheden

Housing Act · Chapter IV · Section 3 · In force since 2022-01-01

Source
1.

An independent body to be designated by Our Minister shall, by designating expert bodies for that purpose, ensure that at every admitted institution, an investigation can also be conducted on-site into:

a.

the results of her activities, both from the perspective of the interest of public housing and from the perspective of the social interest of those activities;

b.

the manner in which the interested parties have been afforded the opportunity to influence the policy, and

c.

the quality of governance.

2.

The approved institution shall ensure that the investigation referred to in the first paragraph is completed at least once every four years by the expert body referred to in that paragraph, to be approached by it for that purpose. The costs of that investigation shall be borne by it. The board of the approved institution may, if in its opinion special circumstances give cause to do so, decide to extend the four-year period mentioned in the first sentence by one year once per the same four-year period or to suspend it, in which case it shall justify this in the annual report referred to in Article 36.

3.

The expert body referred to in the first paragraph shall establish a report containing its findings within six weeks after the conclusion of an investigation. It shall send the report to the admitted institution without delay after its establishment.

4.

The authorized institution shall send a report as referred to in the third paragraph, accompanied by the views of the supervisory board and the management board thereon, to all interested parties and those who have provided their views in the context of the investigation, within six weeks. Furthermore, it shall make the report generally available by electronic means within that period.

5.

A report as referred to in the third paragraph shall also be a subject of the consultation referred to in Article 44, paragraph 1.

1.

Een door Onze Minister aan te wijzen onafhankelijke instantie draagt er, door daartoe deskundige instanties aan te wijzen, zorg voor dat bij elke toegelaten instelling mede ter plaatse een onderzoek kan worden verricht naar:

a.

de resultaten van haar werkzaamheden, zowel uit het oogpunt van het belang van de volkshuisvesting als van het maatschappelijke belang van die werkzaamheden;

b.

de wijze waarop de belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld invloed uit te oefenen op het beleid, en

c.

de kwaliteit van de governance.

2.

De toegelaten instelling draagt er zorg voor dat het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, ten minste een maal per vier jaar door de daartoe door haar te benaderen deskundige instantie, bedoeld in dat lid, wordt afgerond. De kosten van dat onderzoek komen voor haar rekening. Het bestuur van de toegelaten instelling kan, indien naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, besluiten de termijn van vier jaar, genoemd in de eerste volzin, eens per dezelfde vier jaar met een jaar te verlengen of op te schorten, in welk geval het dit verantwoordt in het jaarverslag, bedoeld in artikel 36.

3.

De deskundige instantie, bedoeld in het eerste lid, stelt telkens binnen zes weken na afloop van een onderzoek een rapport met haar bevindingen vast. Zij zendt het rapport onverwijld na de vaststelling daarvan aan de toegelaten instelling.

4.

De toegelaten instelling zendt een rapport als bedoeld in het derde lid, vergezeld van de zienswijze van de raad van commissarissen en het bestuur daarop, binnen zes weken aan alle belanghebbenden en degenen die in het kader van het onderzoek hun zienswijze hebben gegeven. Zij stelt voorts het rapport binnen die termijn langs elektronische weg algemeen verkrijgbaar.

5.

Een rapport als bedoeld in het derde lid is mede onderwerp van het overleg, bedoeld in artikel 44, eerste lid.