Dutch Legislation

Article 225

in force

Of cheques, and of promissory notes and receipts to bearer · Of the right of recourse in case of non-payment

Commercial Code (Wetboek van Koophandel) — Book 1 · Book 1 Of trade in general · Title 7 · Section 6 · In force since 1934-07-01

Source
1.

If the presentment of the cheque, the drawing up of the protest, or the equivalent declaration, within the prescribed time limits is prevented by an insurmountable obstacle (legal provision of any State or other case of force majeure), these time limits are extended.

2.

The holder is obliged to give notice of the force majeure to his endorser without delay, and to record this notice, dated and signed, on the cheque or on an allonge; in all other respects, the provisions of Article 219 are applicable.

3.

After the cessation of the force majeure, the holder must without delay present the cheque for payment, and, if there is reason to do so, cause the refusal of payment to be established by protest or an equivalent declaration.

4.

If the force majeure continues for more than fifteen days, calculated from the day on which the holder, even if it were before the end of the time limit for presentment, has given notice of the force majeure to his endorser, the right of recourse may be exercised, without presentment or the drawing up of a protest or the equivalent declaration being necessary.

5.

Facts which, for the holder or for the person whom he entrusted with the presentment of the cheque or with the drawing up of the protest or the declaration equivalent thereto, are of a purely personal nature, are not considered as cases of force majeure.

1.

Wanneer de aanbieding van de chèque, het opmaken van het protest, of de daarmede gelijkstaande verklaring, binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van eenigen Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

2.

De houder is verplicht van de overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagteekend en onderteekend op de chèque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 219 toepasselijk.

3.

Na ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de chèque ter betaling aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, de weigering van betaling doen vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring.

4.

Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest of de daarmede gelijkstaande verklaring noodig zijn.

5.

Feiten, welke voor den houder of voor dengene, dien hij met de aanbieding van de chèque of met het opmaken van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.