Article 14b
in forceJudicial proceedings · The organisation of the courts · § Organization
The Procurator General shall comply with the petition unless:
the requirements referred to in Article 14a, paragraph 2, have not been met;
it is immediately apparent that the petition was filed an unreasonably long time after the grievance arose or does not contain sufficient grounds to demand the initiation of an investigation;
a petition of the petitioner, concerning the same conduct, is pending or – unless a new fact or a new circumstance, concerning the same conduct, has become known and such could have led to a different judgment – has been disposed of;
for the petitioner, with regard to the complaint, a remedy before a judicial authority is or has been available and he has not made use thereof, or with regard to that complaint a decision has been rendered by a judicial authority against which no legal remedy is available;
a claim as referred to in Article 46o in conjunction with Article 46d, paragraph 2, 46f, 46g, 46l or 46m of the Legal Status of Judicial Officers Act has been or will be instituted by the Procurator General;
the petitioner can or could have filed a complaint in accordance with the regulation referred to in Article 26, paragraph 1, of the Judiciary (Organisation) Act.
The Procurator General shall provide the petitioner and the official to whose conduct the petition relates with the opportunity to provide him with information. He shall hear the persons referred to in the first sentence if they so request.
The Procurator General shall inform the petitioner and the official to whose conduct the petition relates of the results of the preliminary investigation. If, in the opinion of the Procurator General, a remedy before a judicial authority is available with regard to the complaint, he shall notify the petitioner thereof.
De procureur-generaal voldoet aan het verzoek tenzij:
niet is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 14a, tweede lid;
reeds aanstonds blijkt dat het verzoekschrift onredelijk lange tijd na het ontstaan van de klacht is ingediend of geen genoegzame gronden inhoudt om het instellen van een onderzoek te vorderen;
een verzoekschrift van de verzoeker, dezelfde gedraging betreffende, in behandeling is of - behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, dezelfde gedraging betreffende, is bekend geworden en zulks tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden - is afgedaan;
voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dan wel ten aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat;
door de procureur-generaal een vordering als bedoeld in artikel 46o juncto artikel 46d, tweede lid, 46f, 46g, 46l of 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, is of zal worden ingesteld;
de verzoeker overeenkomstig de regeling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, een klacht kan of had kunnen indienen.
De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft in de gelegenheid hem inlichtingen te verstrekken. Hij hoort de in de eerste volzin bedoelde personen, wanneer dezen dit verzoeken.
De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft op de hoogte van de uitkomsten van het vooronderzoek. Staat naar het oordeel van de procureur-generaal met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie open, dan geeft hij daarvan kennis aan de verzoeker.