Dutch Legislation

Paragraph B9/16

in force

Residence as a minor alien with a child protection measure · Humanitarian non-temporary

Aliens Circular 2000 — Part B · Chapter B9 · In force since 2026-07-01

Source

16.1 Introduction

This paragraph contains the policy rules for the granting of permits on non-temporary humanitarian grounds to minor foreign nationals (and their family members):

1.

If the authority of the parent(s) over them has been terminated and a guardian has been appointed (see paragraphs B9/16.2 up to and including 16.4 Vc); or

2.

If they have been in possession of a temporary humanitarian residence permit for a period of one year pursuant to Article 3.48, paragraph 2, opening words and under (b), of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit) in conjunction with Article 3.24aa, paragraph 1, opening words and under (f), of the Aliens Regulation (Voorschrift Vreemdelingen) (see paragraph B9/16.5 and 16.6 of the Aliens Act Implementation Guidelines (Vreemdelingencirculaire)).

16.2 Termination of parental authority

The IND shall, pursuant to Article 3.51, paragraph 4, of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit) in conjunction with Article 3.24aa, paragraph 2, opening words and under (j), of the Aliens Regulation (Voorschrift Vreemdelingen), upon application or ex officio pursuant to Article 3.6b of the Aliens Decree, grant a fixed-term regular residence permit under the restriction ‘non-temporary humanitarian grounds’ to a minor foreign national if:

1.

The parental authority of the parent(s) over the minor foreign national has been terminated by the children's court; and

2.

The minor foreign national does not qualify for a residence permit on any ground other than those mentioned in this paragraph.

16.3 Exemption from the MVV requirement

The minor foreign national, who satisfies the conditions as referred to in paragraph B9/16.2 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire), shall be exempted from the provisional residence permit (mvv) requirement on the basis of the hardship clause (Article 3.71, third paragraph, of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit)).

16.4 Family members of the minor foreign national in respect of whom the parental authority has been terminated

The family members of the minor foreign national, in respect of whom the parental authority has been terminated, shall not be eligible for a residence permit for the purpose of stay with the aforementioned minor foreign national, unless the refusal of residence to the family members constitutes a violation of Article 8 ECHR (see paragraph B7/3.8 Vc).

16.5 Non-temporary stay after stay as a minor foreign national with a child protection measure

The IND shall, pursuant to Article 3.51, paragraph 4, of the Vb and Article 3.24aa, paragraph 2, opening words and under (j), of the VV, upon application or ex officio pursuant to Article 3.6b of the Vb, grant a regular fixed-term residence permit under the restriction ‘non-temporary humanitarian grounds’ to a minor foreign national placed under supervision if all of the following conditions are met:

1.

The minor foreign national has been in possession of a residence permit for a period of one year under the restriction ‘temporary humanitarian grounds’ pursuant to Article 3.48, paragraph 2, opening words and subparagraph (b), of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit) and Article 3.24aa, paragraph 1, opening words and subparagraph (f), of the Aliens Regulation (Voorschrift Vreemdelingen);

2.

It appears from the advice of the DTenV that the supervision order is not transferable to the country of origin or to another country to which it can be assumed that access will be granted.

The IND shall refuse the application if these conditions are not met. The IND shall likewise refuse the application if the minor foreign national or his representative has not demonstrated with documentation what assistance he requires, as a result of which the IND is unable to request advice from the DTenV.

16.6 Family members

The IND shall, on the basis of Article 3.13, paragraph 2, of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), exclusively grant a residence permit to the following family members residing in the Netherlands of a foreign national placed under supervision who meets the conditions of paragraph B9/16.5 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire):

•.

the biological or legal parent(s), if the child placed under supervision is under the lawful authority of this parent or these parents;

•.

the minor brothers and sisters who de facto belong to the family, if the IND has granted a residence permit to their biological or legal parent(s) for family members of the foreign national placed under supervision. The minor brothers and sisters must be under the lawful authority of the biological or legal parents.

The IND shall not refuse the application of the family members pursuant to Article 3.13, second paragraph, of the Vb on the basis of Article 16, first paragraph, under (c) and (k), of the Vw.

The IND shall exempt family members from the mvv-requirement in view of the provisions of Article 3.71, third paragraph, of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), if they qualify for a residence permit for the purpose of stay with the minor placed under supervision.

16.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de beleidsregels voor vergunningverlening op niet-tijdelijke humanitaire gronden aan minderjarige vreemdelingen (en hun gezinsleden):

1.

Als het gezag van de ouder(s) over hen is beëindigd en een voogd is benoemd (zie paragraaf B9/16.2 tot en met 16.4 Vc); dan wel

2.

Als zij gedurende één jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV (zie paragraaf B9/16.5 en 16.6 Vc).

16.2 Gezagsbeëindiging

De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een minderjarige vreemdeling als:

1.

Het gezag van de ouder(s) over de minderjarige vreemdeling is beëindigd door de kinderrechter; én

2.

De minderjarige vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd.

16.3 Mvv-vrijstelling

De minderjarige vreemdeling, die aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B9/16.2 Vc voldoet, wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb).

16.4 Gezinsleden van de minderjarige vreemdeling over wie het gezag van de ouders is beëindigd

De gezinsleden van de minderjarige vreemdeling, over wie het gezag van de ouders is beëindigd, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vorenbedoelde minderjarige vreemdeling, tenzij weigering van verblijf aan de gezinsleden een schending van artikel 8 EVRM oplevert (zie paragraaf B7/3.8 Vc).

16.5 Niet-tijdelijk verblijf na verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel

De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

1.

De minderjarige vreemdeling is gedurende één jaar in bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ̀ tijdelijke humanitaire gronden´ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV;

2.

Uit het advies van de DTenV blijkt dat de ondertoezichtstelling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend.

De IND wijst de aanvraag af, als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. De IND wijst de aanvraag eveneens af, als de minderjarige vreemdeling of zijn gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft, waardoor de IND geen advies kan opvragen bij de DTenV.

16.6 Gezinsleden

De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende gezinsleden van een onder toezicht gestelde vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B9/16.5 Vc:

•.

de biologische of juridische ouder(s), als het onder toezicht gestelde kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouder(s);

•.

de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouder(s) een verblijfsvergunning heeft verleend voor gezinsleden van de onder toezicht gestelde vreemdeling. De minderjarige broers en zussen moeten onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders staan.

De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en k, Vw.

De IND stelt gezinsleden vrij van het mvv-vereiste gelet op het bepaalde in artikel 3.71, derde lid, Vb, als zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de onder toezicht gestelde minderjarige.