Paragraaf B9/16
geldendVerblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel · Humanitair niet-tijdelijk
16.1 Inleiding
Deze paragraaf bevat de beleidsregels voor vergunningverlening op niet-tijdelijke humanitaire gronden aan minderjarige vreemdelingen (en hun gezinsleden):
Als het gezag van de ouder(s) over hen is beëindigd en een voogd is benoemd (zie paragraaf B9/16.2 tot en met 16.4 Vc); dan wel
Als zij gedurende één jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV (zie paragraaf B9/16.5 en 16.6 Vc).
16.2 Gezagsbeëindiging
De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een minderjarige vreemdeling als:
Het gezag van de ouder(s) over de minderjarige vreemdeling is beëindigd door de kinderrechter; én
De minderjarige vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd.
16.3 Mvv-vrijstelling
De minderjarige vreemdeling, die aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B9/16.2 Vc voldoet, wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb).
16.4 Gezinsleden van de minderjarige vreemdeling over wie het gezag van de ouders is beëindigd
De gezinsleden van de minderjarige vreemdeling, over wie het gezag van de ouders is beëindigd, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vorenbedoelde minderjarige vreemdeling, tenzij weigering van verblijf aan de gezinsleden een schending van artikel 8 EVRM oplevert (zie paragraaf B7/3.8 Vc).
16.5 Niet-tijdelijk verblijf na verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel
De IND verleent op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ aan een onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De minderjarige vreemdeling is gedurende één jaar in bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ̀ tijdelijke humanitaire gronden´ op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV;
Uit het advies van de DTenV blijkt dat de ondertoezichtstelling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een ander land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang wordt verleend.
De IND wijst de aanvraag af, als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. De IND wijst de aanvraag eveneens af, als de minderjarige vreemdeling of zijn gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft, waardoor de IND geen advies kan opvragen bij de DTenV.
16.6 Gezinsleden
De IND verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende gezinsleden van een onder toezicht gestelde vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B9/16.5 Vc:
de biologische of juridische ouder(s), als het onder toezicht gestelde kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouder(s);
de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouder(s) een verblijfsvergunning heeft verleend voor gezinsleden van de onder toezicht gestelde vreemdeling. De minderjarige broers en zussen moeten onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders staan.
De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb van de gezinsleden niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en k, Vw.
De IND stelt gezinsleden vrij van het mvv-vereiste gelet op het bepaalde in artikel 3.71, derde lid, Vb, als zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de onder toezicht gestelde minderjarige.