Dutch Legislation

Article 40d

in force

Orders of Our Minister

Custodial Institutions Act (Pbw) · Chapter VIIA · In force since 2025-11-01

Source
1.

Our Minister may order that a detainee who is staying in a ward for intensive supervision or in an extra-secure facility as referred to in Article 13, paragraph 1, point d, be subjected to restrictions that are necessary in the interest of public order or safety outside the facility:

a.

in the event of indications that the detainee is using his contacts for seriously intimidating or life-threatening activities in the outside world, or

b.

if, having regard to the nature of the suspicion, the nature of the offence or offences for which the detainee has been convicted, the circumstances under which that offence or those offences were allegedly committed or have been committed, or having regard to the personality of the detainee, a danger to public order or safety must be assumed.

2.

A danger as referred to in the first paragraph, point (b), may in any event be assumed if the detainee is suspected of or has been convicted of participation in an organisation that has the commission of criminal offences punishable by a term of imprisonment of twelve years or more as its object, while the detainee, according to the suspicion or conviction, can be regarded as a founder, leader or manager of that organisation, as referred to in Article 140, paragraphs three and four, of the Criminal Code.

3.

The order may include:

a.

a restriction or exclusion of the extent to which the detainee is enabled to participate in activities, either individually or with other detainees, in deviation from Article 21;

b.

a limitation or exclusion of participation in joint activities, in deviation from Article 23;

c.

a restriction or exclusion of the receiving and sending of letters and the intensification of supervision thereof, in deviation from Article 36;

d.

a restriction or exclusion of receiving visitors and the intensification of supervision thereof, by way of derogation from Articles 38, 40b and 40c;

e.

a restriction or exclusion of telephone communication and the intensification of supervision thereof, by way of derogation from Articles 39, 40b and 40c;

f.

a restriction or exclusion of maintaining contacts with the media and the supervision thereof, by way of derogation from Article 40;

g.

a restriction of the right to access news, by way of derogation from Article 48, paragraph 1;

h.

an exclusion from participation in consultation, as referred to in Article 74.

4.

The order may restrict the rights of third parties outside the institution.

5.

The order shall be in writing. The measures shall be substantiated. Insofar as the order restricts all contacts of the detainee with the outside world, the order shall be in force for a maximum of three months. In other cases, the order shall be in force for a maximum of twelve months. The order shall not last longer than strictly necessary. Our Minister may extend the order each time for a period of at most the same duration. The order shall state the duration of the measures contained therein on each occasion.

6.

Our Minister may request advice from the Public Prosecution Service, the police, or the court that dealt with the case in the final instance of fact regarding the content of the order. Our Minister may request information from the director concerning the circumstances of the detainee.

7.

If the order is based exclusively on the personality of the detainee, as referred to in the first paragraph, point (b), the Minister must include an opinion from a behavioral expert in his order.

8.

The order does not restrict the freedom of communication between the legal aid provider and the detainee.

9.

The director shall ensure the execution of the order.

10.

The order shall not prejudice the powers of the director pursuant to the provisions of and by virtue of this Act.

1.

Onze Minister kan bevelen dat de gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, aan beperkingen wordt onderworpen die in het belang van de openbare orde of veiligheid buiten de inrichting noodzakelijk zijn:

a.

bij aanwijzingen dat de gedetineerde zijn contacten gebruikt voor ernstig intimiderende of levensbedreigende activiteiten in de buitenwereld, of

b.

indien gelet op de aard van de verdenking, de aard van het misdrijf of de misdrijven waarvoor de gedetineerde is veroordeeld, de omstandigheden waaronder dat misdrijf of die misdrijven zouden zijn begaan of zijn begaan, of gelet op de persoonlijkheid van de gedetineerde, een gevaar voor de openbare orde of veiligheid moet worden aangenomen.

2.

Een gevaar bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan in ieder geval worden aangenomen indien de gedetineerde wordt verdacht van of is veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, terwijl de gedetineerde volgens de verdenking of veroordeling van die organisatie als oprichter, leider of bestuurder, bedoeld in artikel 140, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan worden aangemerkt.

3.

Het bevel kan inhouden:

a.

een beperking of uitsluiting van de mate waarin de gedetineerde in staat wordt gesteld individueel dan wel met andere gedetineerden aan activiteiten deel te nemen, in afwijking van artikel 21;

b.

een beperking of uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, in afwijking van artikel 23;

c.

een beperking of uitsluiting van het ontvangen en verzenden van brieven en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van artikel 36;

d.

een beperking of uitsluiting van het ontvangen van bezoek en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van de artikelen 38, 40b en 40c;

e.

een beperking of uitsluiting van telefoonverkeer en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van de artikelen 39, 40b en 40c;

f.

een beperking of uitsluiting van het onderhouden van contacten met de media en het toezicht daarop, in afwijking van artikel 40;

g.

een beperking van het recht op het kennis nemen van het nieuws, in afwijking van artikel 48, eerste lid;

h.

een uitsluiting van deelname aan overleg, bedoeld in artikel 74.

4.

Het bevel kan de rechten van derden buiten de inrichting beperken.

5.

Het bevel is schriftelijk. De maatregelen zijn gemotiveerd. Voor zover het bevel alle contacten van de gedetineerde met de buitenwereld beperkt, is het bevel ten hoogste drie maanden van kracht. In de overige gevallen is het bevel ten hoogste twaalf maanden van kracht. Het bevel duurt niet langer dan strikt noodzakelijk. Onze Minister kan het bevel telkens verlengen met een periode van ten hoogste dezelfde periode. Het bevel vermeldt telkens de duur van de daarin opgenomen maatregelen.

6.

Onze Minister kan het openbaar ministerie, de politie of het gerecht dat de zaak in laatste instantie feitelijk heeft behandeld om advies vragen over de inhoud van het bevel. Onze Minister kan de directeur inlichtingen vragen over de omstandigheden van de gedetineerde.

7.

Indien het bevel uitsluitend berust op de persoonlijkheid van de gedetineerde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient de Minister in zijn bevel een advies van een gedragsdeskundige te betrekken.

8.

Het bevel beperkt de vrijheid van verkeer tussen de rechtsbijstandverlener en de gedetineerde niet.

9.

De directeur draagt zorg voor de uitvoering van het bevel.

10.

Het bevel laat de bevoegdheden van de directeur op grond van het bepaalde bij en krachtens deze wet onverlet.