Article 34
in forceGeneral assistance
Assets shall be understood to mean:
the value of the assets which the single person or the family possesses or may reasonably possess, reduced by the existing debts. The value of the assets shall be determined at the value in economic transactions upon vacant possession;
assets received during the period for which general assistance has been granted, insofar as these do not concern income as referred to in Articles 32 and 33.
The following shall not be taken into account as assets:
assets in kind which, by their nature and value, are generally customary or which, having regard to the circumstances of the person and the family, are necessary;
the assets present insofar as these amount to less than the applicable asset limit referred to in the third paragraph;
savings accumulated during the period in which social assistance is received;
the assets tied up in the dwelling with the associated yard, as referred to in Article 50, paragraph 1, insofar as these amount to less than € 67,500.00;
compensation for non-material damage as referred to in Article 31, paragraph 2, parts l and m.
The asset limit referred to in paragraph 2, subparagraph b, is:
for a single person: € 8,000.00;
for a single parent: € 16,000.00;
for the spouses together: € 16,000.00.
Onder vermogen wordt verstaan:
de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 67.500,00;
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
voor een alleenstaande: € 8.000,00;
voor een alleenstaande ouder: € 16.000,00;
voor de gehuwden tezamen: € 16.000,00.