Dutch Legislation

Article 2.142

in force

Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten · Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Media Act 2008 · Title 2.5 · Section 2.5.6 · In force since 2016-03-31

Source
1.

The NPO, the RPO, and the public media institutions shall ensure that members of their bodies, employees, and other persons or legal entities with whom an agreement has been concluded for the purpose of executing the public media mandate, do not stipulate or accept, for themselves or for others, any pecuniary benefit from third parties that is directly or indirectly related to the activities of the person concerned for the institution, unless the competent body of the institution has granted permission for this.

2.

Consent shall only be granted if the person concerned demonstrates that the benefit is not intended as consideration for favouring third parties in the performance of his duties for the institution.

3.

A natural or legal person who has concluded an agreement as referred to in the first paragraph shall not be regarded as a third party in relation to those who work in their service.

4.

The national public media institution that is a collaborative broadcasting organization shall ensure that the broadcasting associations it represents act in accordance with the first to third paragraphs inclusive.

1.

De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.

2.

Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.

3.

Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.

4.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen.