Dutch Legislation

Article 213m

in force

Of bankruptcy · Of the bankruptcy of an insurer · § Insurers with their registered office in the Netherlands, insurers without a licence with their registered office in a Member State other than the Netherlands, and insurers with their registered office outside the European Union with a branch in the Netherlands

Bankruptcy Act (Faillissementswet) · Title I · Section 11B · § 2 · In force since 2023-07-01

Source
1.

In the event of a declaration of bankruptcy pursuant to this section, the estate debts shall, depending on the nature of the estate debt concerned, be either apportioned over each part of the estate or deducted exclusively from a specific asset of the estate. The estate debts shall in any case include the costs of registration in a public register in a Member State other than the Netherlands.

2.

Without prejudice to the provisions of paragraph 1 and save for claims secured by pledge or mortgage, in the event of the bankruptcy of a non-life insurer, the following claims shall be recovered from the estate in the following order:

a.

the claims under insurance concerning periodic payments in respect of illness, injury or death of natural persons, arising from or pursuant to indemnity insurance contracts, with the exception, however, of payments owed to another insurer pursuant to a reinsurance contract, and of payments in respect of pensions promised to employees or former employees of the insurer or to their surviving relatives;

b.

the claims of employees and former employees as well as the claims of their surviving relatives with respect to pension instalments that have already fallen due, insofar as the claim is not older than one year;

c.

the claims of employees, other than directors of the insurer by whom they are employed, and former employees, as well as the claims of their surviving relatives with respect to instalments of a promised pension becoming payable in the future;

d.

the claims of employees relating to the wages for the preceding year and that which is due for the current year, in addition to the amount of the increase of those wages pursuant to Article 625 of Book 7 of the Civil Code, as well as the amount of the expenses incurred by the employee for the insurer as employer, and the amounts owed by the insurer to the employee pursuant to Title 10 of Book 7 of the Civil Code in connection with the termination of the employment contract;

e.

the claims under insurance concerning non-periodic payments in respect of illness, injury or death of natural persons, arising from or pursuant to contracts of indemnity insurance, with the exception, however, of payments owed to another insurer pursuant to a contract of reinsurance;

f.

the claims under insurance concerning payments in respect of damage other than that referred to in subparagraphs a and e, arising from contracts of indemnity insurance;

g.

the claims for the return of amounts that have been paid without legal ground or for the payment of which the legal ground has ceased to exist, which payment was made on the assumption that premiums were paid thereby;

h.

the claims for compensation of the damage suffered by creditors with a claim as referred to in points a and e because the amounts they have received pursuant to those claims are insufficient to place them in the position in which they would have been if the insurer had not been declared bankrupt.

3.

Without prejudice to the provisions of paragraph 1 and except for claims secured by pledge or mortgage, in the event of the bankruptcy of a life insurer, the following claims shall be recovered from the estate in the following order:

a.

the claims of employees and former employees as well as the claims of their surviving relatives relating to pension instalments that have already fallen due, insofar as the claim is not older than one year;

b.

the claims of employees, not being directors of the insurer by which they are employed, and former employees, as well as the claims of their surviving relatives with respect to instalments of a promised pension becoming payable in the future;

c.

the claims of employees relating to the wages for the preceding year and that which is due for the current year, together with the amount of the increase of such wages pursuant to Article 625 of Book 7 of the Civil Code, as well as the amount of the expenses incurred by the employee for the insurer, and the amounts owed by the insurer to the employee under Title 10 of Book 7 of the Civil Code in connection with the termination of the employment contract;

d.

the claims under insurance and rights concerning benefits, which have arisen or are yet to arise from life insurance contracts;

e.

the claims for the return of amounts which have been paid without legal ground or for the payment of which the legal ground has ceased to exist, which payment was made on the assumption that premiums or fees for services were paid thereby;

f.

the claims for compensation of the damage suffered by creditors with a claim as referred to in part d because the amounts they have received pursuant to those claims are insufficient to place them in the position in which they would have been if the insurer had not been declared bankrupt.

4.

Claims that are not mentioned in the second and third paragraphs shall only be satisfied if the claims referred to in the second and third paragraphs have been satisfied and if it is established that such claims will no longer arise in the future, in proportion to each claim, subject to the grounds of preference recognized by law.

5.

The reasons for priority referred to in paragraph 4 apply both to claims of creditors with habitual residence, domicile or statutory seat in the Netherlands and to similar claims of creditors with habitual residence, domicile or statutory seat in a Member State other than the Netherlands.

1.

In geval van een faillietverklaring op grond van deze afdeling worden de boedelschulden, al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in ieder geval de kosten van inschrijving in een openbaar register in een andere lidstaat dan Nederland.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van faillissement van een schadeverzekeraar de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:

a.

de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd, en van uitkeringen ter zake van pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen werknemers van de verzekeraar of aan hun nabestaanden;

b.

de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;

c.

de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;

d.

de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;

e.

de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd;

f.

de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit overeenkomsten van schadeverzekering;

g.

de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald;

h.

de vorderingen tot vergoeding van de schade die schuldeisers met een vordering als bedoeld in de onderdelen a en e lijden doordat de bedragen die zij hebben ontvangen uit hoofde van die vorderingen niet toereikend zijn om hen te brengen in de toestand waarin zij zouden hebben verkeerd indien de verzekeraar niet in staat van faillissement was verklaard.

3.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden ingeval het faillissement van een levensverzekeraar de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:

a.

de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;

b.

de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;

c.

de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;

d.

de vorderingen uit hoofde van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit overeenkomsten van levensverzekering;

e.

de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies dan wel vergoedingen voor verrichtingen zijn betaald;

f.

de vorderingen tot vergoeding van de schade die schuldeisers met een vordering als bedoeld in de onderdeel d lijden doordat de bedragen die zij hebben ontvangen uit hoofde van die vorderingen niet toereikend zijn om hen te brengen in de toestand waarin zij zouden hebben verkeerd indien de verzekeraar niet in staat van faillissement was verklaard.

4.

Vorderingen die niet worden genoemd in het tweede en derde lid, worden eerst dan voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het tweede en derde lid zijn voldaan en indien vaststaat dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.

5.

De in het vierde lid bedoelde redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat dan Nederland.