Dutch Legislation

Article 212u

in force

Of bankruptcy · Of the bankruptcy of a bank · § Provisions of private international law

Bankruptcy Act (Faillissementswet) · Title I · Section 11AA · § 2 · In force since 2012-01-01

Source
1.

The decision to open a liquidation procedure shall not affect the right in rem of a creditor or a third party in respect of an asset or assets, both specific assets and collections of indefinite assets with a changing composition, which belong to the bank and which are situated, at the time when the decision to open the liquidation procedure takes legal effect, on the territory of a Member State other than the home Member State.

2.

For the purposes of paragraph 1, a property right shall in any case be understood to mean:

a.

the right to realize an asset or to have it realized and to be satisfied from the proceeds of or the income from the asset, in particular by virtue of a right of pledge or right of mortgage;

b.

the exclusive right to collect a claim, in particular by virtue of a right of pledge on the claim or by virtue of an assignment by way of security of the claim;

c.

the right to claim property from anyone who holds it without right, to demand the surrender of that property or to demand an undisturbed enjoyment of that property;

d.

the property right to reap the fruits of an asset.

3.

For the application of the first paragraph, a right registered in a public register to acquire a right in rem as referred to in the first paragraph that can be invoked against third parties, is equated with a right in rem.

4.

For the purposes of this article, the Member State where an asset is situated is:

a.

with regard to registered property and rights to registered property: the Member State under whose authority the relevant register is kept;

b.

with regard to things, insofar as not falling under point a: the Member State in the territory of which the thing is situated;

c.

with regard to debt claims, the Member State on the territory of which the third-party debtor is established.

1.

De beslissing tot opening van een liquidatieprocedure laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met een wisselende samenstelling, die toebehoren aan de bank en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:

a.

het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;

b.

het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;

c.

het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;

d.

het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijk gesteld met in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.

4.

Voor de toepassing van dit artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:

a.

met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;

b.

met betrekking tot zaken, voor zover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt;

c.

met betrekking tot schuldvorderingen, de lidstaat op het grondgebied waarvan de derde-schuldenaar is gevestigd.