Dutch Legislation

Article 6a

in force

Equal treatment of persons irrespective of their religion, belief, political opinion, race, gender, nationality, heterosexual or homosexual orientation, or marital status · § Provisions in the field of labour and the liberal profession

General Equal Treatment Act (AWGB) · Chapter 1 · § 3 · In force since 2015-07-01

Source
1.

Discrimination is prohibited in relation to membership of or involvement in an employers' or employees' organisation or a professional association, as well as in relation to the benefits derived from such membership or involvement.

2.

The first paragraph is without prejudice to the fact that:

a.

an organization or association based on religious or ideological grounds, or

b.

an organization or association based on political grounds,

with regard to persons who are involved with it through membership or otherwise, may make a distinction on the grounds of religion, belief or political opinion, insofar as these characteristics, due to the nature of the involvement or the context in which specific activities are carried out, constitute a genuine, legitimate and justified requirement, in view of the basis of the organisation or association. Such a distinction may not go further than is appropriate, having regard to the attitude of good faith and loyalty to the basis of the organisation or association that may be required of those involved, and may not lead to a distinction on any other ground mentioned in Article 1, without prejudice to Article 2, paragraph 1.

1.

Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.

2.

Het eerste lid laat onverlet dat:

a.

een op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging, of

b.

een op politieke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging,

ten aanzien van personen die door een lidmaatschap of anderszins bij haar betrokken zijn onderscheid mag maken op grond van godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van de betrokkenheid of de context waarin specifieke activiteiten worden uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormen, gezien de grondslag van de organisatie of vereniging. Een zodanig onderscheid mag niet verder gaan dan passend is, gelet op de houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de organisatie of vereniging die van de daarbij betrokkenen mag worden verlangd, en mag niet leiden tot onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond, onverminderd artikel 2, eerste lid.