Dutch Legislation

Article 29d

in force

Of sickness benefit

Sickness Benefits Act (ZW) · Chapter II · In force since 2018-01-01

Source
1.

The employee who was born before 8 July 1954 and who, immediately prior to an employment relationship as referred to in Article 3, 4 or 5, which commenced before reaching the pensionable age referred to in Article 7a, paragraph 1, of the General Old Age Pensions Act (Algemene Ouderdomswet), and for at least 52 weeks was entitled to a benefit on the basis of Chapter II of the Unemployment Insurance Act (Werkloosheidswet), shall be entitled to sickness benefit from the first day of their incapacity for work due to illness for periods of incapacity for work due to illness that commenced within the five years after the start of their employment relationship. For the determination of the periods of incapacity for work due to illness, Article 29, paragraph 5, second and third sentences, shall apply mutatis mutandis. The payment of the sickness benefit referred to in the first sentence shall not take place earlier than the first day of the fourteenth week of the incapacity for work.

2.

The sickness benefit, referred to in the first paragraph, shall amount to 70% of the daily wage of the employee.

3.

In deviation from the second paragraph, the sickness benefit during the period of 52 weeks from the first day of incapacity for work due to illness of the employee, as referred to in Article 3, shall, at the petition of the employer, be set at the daily wage, with the proviso that the sickness benefit may not exceed the employee's entitlement to the wage that the employer would have been liable to pay if no sickness benefit had been deducted therefrom.

4.

This Article shall not apply if the employee is employed in an employment relationship within the meaning of Article 2 or 7 of the Social Employment Act (Wet sociale werkvoorziening).

5.

For the purpose of determining the period of 52 weeks referred to in paragraph 1, interruptions in the right to benefit under the Unemployment Act (Werkloosheidswet) of no more than four weeks shall be equated with periods during which the employee was entitled to a benefit under the Unemployment Act.

6.

The employee who was born before 1 January 1962 and who, immediately prior to an employment relationship as referred to in Article 3, 4 or 5, which commenced in the period from 1 January 2018 up to and including 31 December 2019, was entitled to a benefit pursuant to Chapter II of the Unemployment Act (Werkloosheidswet) for at least 52 weeks, shall be entitled to sickness benefit from the first day of his incapacity for work due to illness for periods of incapacity for work due to illness that commenced within five years after the commencement of his employment relationship.

7.

With the exception of the first sentence of the first paragraph, the first through fifth paragraphs shall apply mutatis mutandis to the sixth paragraph.

1.

De werknemer die is geboren voor 8 juli 1954 en die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, welke is aangevangen vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en gedurende ten minste 52 weken recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van zijn dienstbetrekking. Voor het bepalen van de perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is artikel 29, vijfde lid, tweede en derde zin, van overeenkomstige toepassing. De uitbetaling van het ziekengeld, bedoeld in de eerste zin, vindt niet eerder plaats dan de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken.

2.

Het ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 70% van het dagloon van de werknemer.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt het ziekengeld in het tijdvak van 52 weken vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte van de werknemer, bedoeld in artikel 3, op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met dien verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de aanspraak van de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd zou zijn, indien daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn gebracht.

4.

Dit artikel is niet van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 of 7 van de Wet sociale werkvoorziening.

5.

Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden onderbrekingen van het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet van ten hoogste vier weken gelijkgesteld met perioden waarin de werknemer recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

6.

De werknemer die is geboren voor 1 januari 1962 en die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, welke is aangevangen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, gedurende ten minste 52 weken recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van zijn dienstbetrekking.

7.

Met uitzondering van de eerste volzin van het eerste lid, zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing op het zesde lid.