Dutch Legislation

Article 61m

in force

Approved institutions · Algemeenverbindendverklaring van overeenkomsten met of tussen toegelaten instellingen

Housing Act · Chapter IV · Section 6 · In force since 2015-07-01

Source
1.

Our Minister may, if in his judgment it is in the interest of public housing, upon a reasoned application, declare an agreement between approved institutions, among themselves or with one or more other parties, generally binding for all approved institutions.

2.

It may be determined by Order in Council that Our Minister, in a decision to apply the first paragraph, may suspend the operation of articles of this Chapter or of provisions enacted pursuant to such articles. In that case, it shall also be determined that he shall only suspend the operation of those specific provisions whose subject matter, in his judgment, is adequately provided for by the agreement referred to in the first paragraph, from the perspective of the interest of public housing and the exercise of supervision.

3.

Application of the first paragraph shall not lead to any limitation for Our Minister to execute and apply his tasks and powers referred to in this chapter and in Articles 93, 104a, 105 and 120b.

1.

Onze Minister kan, indien dat naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting is, op een met redenen omklede aanvraag een overeenkomst tussen toegelaten instellingen, onderling of met een of meer andere partijen, algemeen verbindend verklaren voor alle toegelaten instellingen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister bij een besluit tot toepassing van het eerste lid artikelen van dit hoofdstuk of het bepaalde krachtens zodanige artikelen buiten werking kan stellen. In dat geval wordt tevens bepaald dat hij uitsluitend dat bepaalde buiten werking stelt in het onderwerp waarvan naar zijn oordeel, uit het oogpunt van het belang van de volkshuisvesting en de uitoefening van het toezicht, toereikend door de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien.

3.

Toepassing van het eerste lid leidt niet tot enige beperking voor Onze Minister om uitvoering en toepassing te geven aan zijn taken en bevoegdheden, bedoeld in dit hoofdstuk en de artikelen 93, 104a, 105 en 120b.