Article 3:15
in forceConditional sentencing, conditional release and community service orders · Recognition and enforcement of foreign judicial decisions in the Netherlands · § The consequences of recognition
The enforcement of the judicial decision shall not extend beyond the supervision of compliance with the obligations imposed upon the convicted person, if:
the recognition concerns a judicial decision as referred to in Article 3:1, paragraph 1, under c, and the decision does not impose a custodial sanction that may be enforced if an obligation is not complied with;
the recognition concerns a judicial decision as referred to in Article 3:1, paragraph 1, under d.
If the public prosecution service is of the opinion that an obligation imposed on the convicted person has not been complied with, or suspects the convicted person of having committed a new criminal offence, the public prosecution service shall notify the competent authority of the issuing Member State thereof without delay by means of the form drawn up in accordance with the model established by order in council.
The Public Prosecution Service may modify the obligations imposed on the convicted person or extend the probationary period by a maximum of one year, if the competent authority of the issuing Member State indicates that the notification, as referred to in the second paragraph, gives cause for such action.
The Public Prosecution Service shall terminate the supervision of compliance with the obligations imposed on the convicted person as soon as it has been notified by the competent authority of the issuing Member State of any decision regarding the enforcement of a custodial sanction, because the convicted person has failed to comply with an obligation.
The Public Prosecution Service shall inform the convicted person and the probation agency charged with the supervision of any decision pursuant to the third and fourth paragraphs as soon as possible.
De tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak strekt niet verder dan het houden van toezicht op de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde verplichtingen, indien:
de erkenning een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, onder c, betreft en in de uitspraak geen vrijheidsbenemende sanctie is bepaald die ten uitvoer kan worden gelegd indien een verplichting niet is nageleefd;
de erkenning een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, onder d, betreft.
Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat een aan de veroordeelde opgelegde verplichting niet is nageleefd of de veroordeelde verdenkt van het plegen van een nieuw strafbaar feit, stelt het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat daarvan onverwijld in kennis door middel van het formulier dat is opgesteld overeenkomstig het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model.
Het openbaar ministerie kan de aan de veroordeelde opgelegde verplichtingen wijzigen of de proeftijd met ten hoogste een jaar verlengen, indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat aangeeft dat de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, daar aanleiding tot geeft.
Het openbaar ministerie beëindigt het toezicht op de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde verplichtingen zodra het door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in kennis is gesteld van enige beslissing over de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie, omdat de veroordeelde een verplichting niet heeft nageleefd.
Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde en de reclasseringsinstelling, belast met het toezicht, zo spoedig mogelijk op de hoogte van enige beslissing op grond van het derde en vierde lid.