Dutch Legislation

Article 66

in force

Certain special coercive measures · Voorloopige hechtenis

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title IV · Section 2 · In force since 2007-02-01

Source
1.

The order for arrest or detention shall be in force for a period to be determined by the court of no more than ninety days, which shall commence at the moment of execution.

2.

Where the order has been given at the hearing, or the investigation has commenced within the period determined pursuant to the first paragraph, the order shall remain in force until sixty days after the day of the final judgment have elapsed.

3.

The period during which the order is in effect may be extended by the court, upon the motion of the public prosecutor, at most twice before the commencement of the examination at the hearing, provided that the duration of the order for arrest or detention and the extensions thereof do not together exceed a period of ninety days. The suspect shall be given the opportunity to be heard regarding the motion. In the event that the suspicion concerns a terrorist offence, the duration of the order for arrest or detention may, after ninety days, be extended for a maximum of two years by periods not exceeding a term of ninety days. The hearing of a motion for extension shall in that case take place in public.

4.

The first three paragraphs of this Article shall apply mutatis mutandis to orders for extension in accordance with the preceding paragraph.

1.

Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste negentig dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging.

2.

Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat zestig dagen na de dag van de einduitspraak zijn verstreken.

3.

De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechtbank, op de vordering van de officier van justitie, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting ten hoogste tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van negentig dagen niet te boven gaan. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord. In het geval de verdenking een terroristisch misdrijf betreft kan de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding na negentig dagen gedurende ten hoogste twee jaren worden verlengd met periodes die een termijn van negentig dagen niet te boven gaan. De behandeling van een vordering tot verlenging vindt in dat geval in het openbaar plaats.

4.

Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het voorgaande lid, zijn de eerste drie leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.