Dutch Legislation

Article 6:6:4:26

in force

General provisions on agreements

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title 5 · In force since 2022-07-01

Source
1.

The public prosecutor may, in the interest of the investigation referred to in Article 6:4:24, paragraph 1, demand that the person who can reasonably be suspected of having access to certain stored or recorded data provide such data.

2.

Article 126nd, paragraphs two up to and including four, and paragraph seven, shall apply mutatis mutandis.

3.

The public prosecutor shall have an official report drawn up regarding the provision of data, in which the following shall be stated:

a.

the data referred to in Article 126nd, paragraph 3;

b.

the data provided in response to the claim;

c.

the reason why the data are demanded in the interest of the investigation.

4.

The public prosecutor may, in the interest of the investigation, determine that a claim as referred to in the first paragraph may relate to data that is processed only after the time of the claim. The period to which the claim extends is a maximum of four weeks and may be extended by a maximum of four weeks at a time. The public prosecutor shall state this period in the claim. The second and third paragraphs shall apply mutatis mutandis.

5.

If a claim relates to data that is processed after the time of the claim, the claim shall be terminated as soon as the processing is no longer in the interest of the investigation. The public prosecutor shall have an official report drawn up of any amendment, supplementation, extension, or termination of the claim.

6.

The public prosecutor may, if the interest of the investigation urgently requires it, determine that the person to whom the order is directed shall provide the data immediately after processing, or provide it periodically within a certain period after processing. The public prosecutor requires prior written authorisation from the examining magistrate for this purpose.

7.

If the interests of the investigation so require, the public prosecutor may, at the time of or immediately following the application of the first or fourth paragraph, order the person who can reasonably be suspected of having knowledge of the method of encryption of the data referred to in the first and fourth paragraphs to cooperate in the decryption of the data by undoing the encryption or by making this knowledge available. This order shall not be given to the convicted person. Article 96a, third paragraph, shall apply mutatis mutandis.

1.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek, bedoeld in artikel 6:4:24, eerste lid, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.

2.

Artikel 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:

a.

de gegevens bedoeld in artikel 126nd, derde lid;

b.

de naar aanleiding van de vordering verstrekte gegevens;

c.

de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.

4.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in het eerste lid, betrekking kan hebben op gegevens die pas na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien een vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering beëindigd zodra de verwerking niet meer in het belang van het onderzoek is. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.

6.

De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

7.

De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.