Dutch Legislation

Article 280

in force

Offences against personal liberty

Criminal Code (Sr) · Book 2 Criminal offences · Title XVIII · In force since 2005-01-01

Source
1.

He who intentionally conceals a minor who has been removed or has removed himself from the lawful authority placed over him or from the supervision of the person who exercises this over him with the requisite authority, or who withdraws such a minor from the investigation by the officials of justice or police, shall be punished with a term of imprisonment not exceeding three years or a fine of the fourth category or, if the minor is under twelve years of age, with a term of imprisonment not exceeding six years or a fine of the fourth category.

2.

The foregoing does not apply to

a.

to the person who immediately notifies the Child Care and Protection Board (Raad voor de Kinderbescherming) of the minor's place of residence; or

b.

the care provider, as referred to in Article 1, under g, of the Youth Care Act (Wet op de jeugdzorg), who receives a subsidy from the province on the basis of Article 41 of that Act and acts in accordance with the rules established pursuant to Article 3, paragraph 5;

c.

the person who acts within the framework of providing diligent assistance to the minor.

3.

The prompt notification that assistance is being provided, as well as the prompt disclosure of the identity of the care provider and their place of residence or place of business to the person exercising parental authority over the minor, constitute components of diligent care.

1.

Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2.

Het voorgaande is niet van toepassing op

a.

hem die de raad voor de kinderbescherming onverwijld de verblijfplaats van de minderjarige meedeelt; of

b.

de zorgaanbieder, bedoeld in artikel 1, onder g, van de Wet op de jeugdzorg, die op grond van artikel 41 van die wet van de provincie subsidie ontvangt en handelt overeenkomstig de krachtens artikel 3, vijfde lid gestelde regels;

c.

hem die handelt in het kader van zorgvuldige hulpverlening aan de minderjarige.

3.

Van zorgvuldige hulpverlening vormen de onverwijlde melding dat hulp wordt verleend alsmede de onverwijlde bekendmaking van de identiteit van de hulpverlener en zijn plaats van verblijf of vestiging aan degene die het gezag over de minderjarige uitoefent, bestanddelen.