Dutch Legislation

Article 15

in force

Minimum holiday allowance

Minimum Wage and Minimum Holiday Allowance Act (WML) · Chapter III · In force since 2024-01-01

Source
1.

The employee is entitled, as against the employer, to a holiday allowance amounting to at least 8% of his wage payable by the employer, as well as of the benefits to which he is entitled during the employment relationship pursuant to the Sickness Benefits Act (Ziektewet), Chapter 3, Section 2, Paragraph 1 or Articles 4:2b or 6:3 of the Work and Care Act (Wet arbeid en zorg) and the Unemployment Insurance Act (Werkloosheidswet), with the proviso that the amount by which the sum of this wage and these benefits exceeds three times the minimum wage shall be disregarded.

2.

The sum referred to in the first paragraph shall be deemed to exceed three times the minimum wage if, over a payment period of one month falling within the period over which the right to holiday allowance exists, it amounts on average to more than three times the amount of the minimum wage mentioned in Article 8, paragraph 1, under (b). If the payment period relates to a period other than a month, the minimum wage shall be calculated proportionally. In this regard, for a payment period of one week, a month shall be assumed to consist of 4 1/3 weeks. If the payment period relates to a working time other than a month or a week, that other working time shall be multiplied by the number of working days included in that period, whereby a month is set at 21.67 working days. A working day shall be understood to mean a day that belongs to the working time.

3.

Remuneration received by the employee from third parties for work performed by him in the employment relationship shall, insofar as it forms part of the terms of employment, be deemed to be wages at the expense of the employer for the application of the preceding paragraphs.

4.

Simultaneously with the application of Article 14, paragraph 13, Our Minister shall ascertain whether the development of the level of the holiday allowance agreed upon in collective labour agreements renders an increase in the minimum holiday allowance desirable. Subsequently, by means of an order in council (algemene maatregel van bestuur), the percentage referred to in the first paragraph, and correspondingly the percentage referred to in Article 16, second and third paragraphs, may be increased; in doing so, a minimum amount may also be established for the entitlement of the employee against his employer pursuant to the first paragraph.

1.

De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.

2.

De in het eerste lid bedoelde som wordt geacht het drievoud van het minimumloon te overschrijden indien deze over de uitbetalingstermijn van een maand, liggende in het tijdvak waarover recht op vakantiebijslag bestaat, gemiddeld meer bedraagt dan het drievoud van het in artikel 8, eerste lid, onder b, genoemde bedrag van het minimumloon. Indien de uitbetalingstermijn betrekking heeft op een andere periode dan een maand, wordt het minimumloon naar evenredigheid berekend. Hierbij wordt voor een uitbetalingstermijn van een week uitgegaan van 4 1/3 weken in een maand. Indien de uitbetalingstermijn betrekking heeft op een andere arbeidsduur dan een maand of week wordt die andere arbeidsduur vermenigvuldigd met het aantal van de in die termijn begrepen werkdagen, waarbij een maand wordt gesteld op 21,67 werkdagen. Onder werkdag wordt verstaan een dag die behoort tot de arbeidsduur.

3.

Beloningen die de werknemer voor arbeid, door hem in de dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van de voorgaande leden geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn.

4.

Gelijktijdig met de toepassing van artikel 14, dertiende lid, gaat Onze Minister na of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Bij algemene maatregel van bestuur kan vervolgens het percentage, genoemd in het eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in artikel 16, tweede en derde lid, worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimum-bedrag worden vastgesteld voor het recht van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.