Dutch Legislation

Article 8

in force

Minimum wage

Minimum Wage and Minimum Holiday Allowance Act (WML) · Chapter II · In force since 2026-07-01

Source
1.

The minimum wage amounts to:

a.

for the application of this law: per hour € 10.60; as of 1 July 2026: € 14.99;

b.

for the application of laws that refer to this Act with regard to the calculation of benefits or allowances: for each monthly payment period € 1,653.60; as of 1 July 2026: € 2,337.00;

c.

For the application of Articles 7, 7a, 11, 13, 13a, 15 and 16, calculations shall be made proportionally to a 36-hour working week, taking into account a payment period of a day, a week or a month.

2.

Where reference is made in this Act to the amounts mentioned in the previous paragraph, these shall be deemed to be, if Article 14 has been applied, the amounts most recently substituted therefor.

3.

In deviation from the first paragraph, the minimum wage for employees to whom the right referred to in Article 7, paragraph 1, has been granted by an order in council (algemene maatregel van bestuur) as referred to in the third paragraph of that Article, shall be a percentage of the amounts mentioned in the first paragraph of the present Article, to be established by that order. This percentage may differ for categories of these employees to be distinguished by age and branch of industry or profession.

4.

By order in council, a percentage of the amounts referred to in the first paragraph may be determined in respect of the employee who is employed on the basis of an employment contract entered into in connection with a professional guidance learning path as referred to in Article 7.2.2 of the Adult and Vocational Education Act. This percentage may differ for categories of these employees to be distinguished by age.

1.

Het minimumloon bedraagt:

a.

voor de toepassing van deze wet: per uur € 10,60per 1 juli 2026: € 14,99;

b.

voor de toepassing van wetten die ten aanzien van de berekening van uitkeringen of tegemoetkomingen naar deze wet verwijzen: over elke uitbetalingstermijn van een maand € 1.653,60per 1 juli 2026: € 2.337,00;

c.

voor de toepassing van de artikelen 7, 7a, 11, 13, 13a, 15 en 16 wordt naar evenredigheid met een werkweek van 36 uren gerekend met inachtneming van een uitbetalingstermijn van een dag, een week of een maand.

2.

Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven aan artikel 14, de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen aangemerkt.

3.

In afwijking van het eerste lid bedraagt het minimumloon voor werknemers aan wie het in artikel 7, eerste lid, bedoelde recht is toegekend bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid van dat artikel, een bij die maatregel vast te stellen percentage van de in het eerste lid van het onderhavige artikel genoemde bedragen. Dit percentage kan voor naar leeftijd en tak van bedrijf of beroep te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van de werknemer die werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een percentage van de in het eerste lid genoemde bedragen worden vastgesteld. Dit percentage kan voor naar leeftijd te onderscheiden categorieën van deze werknemers verschillend zijn.