Dutch Legislation

Article 10

in force

Minimum wage

Minimum Wage and Minimum Holiday Allowance Act (WML) · Chapter II · In force since 1995-07-26

Source
1.

Our Minister may, at the petition (application) of an employer or of an organisation of employers or employees possessing legal personality, set the minimum wage of employees belonging to a category designated by him in an enterprise or a branch of industry or profession at amounts lower than those applicable pursuant to Article 8 for a term to be determined by him, if in his opinion the continued existence of or the extent of activity in that enterprise or that branch of industry or profession is seriously threatened. Conditions may be attached to this determination. A petition shall not be decided upon until it has appeared that the petitioner has consulted with the organisations of employees or employers, respectively, which in the opinion of Our Minister are representative in this matter.

2.

Our Minister may also, of his own motion, take a decision of the purport referred to in the first paragraph with respect to employees belonging to categories designated by him, who exclusively or predominantly perform domestic or personal services in the household of natural persons.

3.

A decision to apply the first or second paragraph with respect to employees in a branch of industry or profession shall be published in the Government Gazette (Staatscourant).

1.

Onze Minister kan op verzoek van een werkgever of van een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers of werknemers het minimumloon van tot een door hem aangewezen categorie behorende werknemers in een onderneming dan wel een tak van bedrijf of beroep voor een door hem te bepalen termijn op lagere dan de krachtens artikel 8 geldende bedragen vaststellen, indien naar zijn oordeel het voortbestaan van of de omvang der bedrijvigheid in die onderneming dan wel die tak van bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Aan deze vaststelling kunnen voorwaarden worden verbonden. Op een verzoek wordt niet beslist, zolang niet is gebleken, dat de verzoeker met de naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werknemers onderscheidenlijk werkgevers ter zake overleg heeft gepleegd.

2.

Onze Minister kan een besluit van de in het eerste lid bedoelde strekking ten aanzien van tot door hem aangewezen categorieën behorende werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten verrichten in de huishouding van natuurlijke personen, ook ambtshalve nemen.

3.

Een besluit tot toepassing van het eerste of het tweede lid ten aanzien van werknemers in een tak van bedrijf of beroep wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.