Article 2.14a
in forceRaamwerk · Toerekeningsregels
For the application of this Act and the provisions based thereon, the assets and liabilities as well as the revenues and expenditures of a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) as referred to in the second paragraph shall be deemed to belong to the possession of, or respectively to accrue to, the person who segregated that capital during their lifetime or upon their death (attribution). After the death of the person referred to in the first sentence, the assets and liabilities as well as the revenues and expenditures of a segregated private capital as referred to in the second paragraph shall be attributed to their heirs, per heir in the same proportion as they are a successor by virtue of inheritance law from the deceased. From the moment that the heir referred to in the previous sentence has died, their heirs and the subsequent heirs shall take the place of the deceased heir, per heir in the same proportion as they are an heir of the deceased heir for whom they take the place.
For the application of this article and the provisions based thereon, a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen), not being an institution serving a social interest, is understood to mean: a segregated capital with which a private interest is pursued to more than an incidental extent, unless in return for the segregation of this capital:
an issuance of shares, profit-sharing certificates, membership rights, certificates of participation or rights comparable thereto has taken place, or
an economic entitlement has arisen.
For the application of this Article and the provisions based thereon, the segregation of assets (afzonderen van vermogen) shall be understood to mean:
the gratuitous or, under conditions that are unusual in social intercourse, legally or factually, directly or indirectly, segregating of assets into a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen);
the alienation, whether in law or in fact, directly or indirectly, of assets to a separated private capital (afgezonderd particulier vermogen) with which a private interest is pursued, to a more than incidental extent, of the alienator, of his partner, or of one or more of his blood relatives or relatives by affinity in the direct line or up to and including the fourth degree of the collateral line.
For the application of this article and the provisions based thereon, an heir shall also be understood to include a person who has been disinherited and who, in law or in fact, directly or indirectly, is a beneficiary of the private foundation (afgezonderd particulier vermogen), or whose partner or relative by blood or affinity in the direct line is, in fact, directly or indirectly, a beneficiary of the private foundation (afgezonderd particulier vermogen).
By way of derogation from the first paragraph, the assets and liabilities, as well as the revenues and expenditures of a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen), shall be attributed to a person who, in law or in fact, directly or indirectly, is a beneficiary of the segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) if the person who has segregated the capital, their partner, and their heirs cannot be determined. In the event that there are multiple beneficiaries, the attribution to the beneficiaries shall take place in proportion to the extent of their beneficial interest.
The first paragraph, second and third sentences, shall not apply with respect to an heir in the event that it appears that this person and their partner are not, either legally or in fact, directly or indirectly, beneficiaries of the segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) and cannot become such. In the event that the first sentence applies, the assets and liabilities as well as the revenues and expenditures of the segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) shall be attributed to the other heirs in the same proportion as they would have been acquirers by virtue of inheritance law to the exclusion of the heir referred to in the first sentence. The attribution referred to in the first paragraph, second and third sentences, shall not apply in the event that it appears that the succession by virtue of a testamentary disposition is predominantly aimed at the total or partial avoidance or deferral of the attribution referred to in the first paragraph, second and third sentences.
The assets and liabilities, as well as the revenues and expenditures, referred to in the first paragraph, do not include assets and liabilities, nor revenues and expenditures, in respect of which it appears that they belong to the capital, or the profit, respectively, of an enterprise of the private foundation (afgezonderd particulier vermogen), insofar as it appears that the profit from this enterprise is subject to a tax on profit in the state or states in which it is carried on. An enterprise as referred to in the first sentence also includes an activity as referred to in Article 4, part b, of the Corporate Income Tax Act 1969 (Wet op de vennootschapsbelasting 1969).
Further rules may be established by ministerial regulation with regard to the attribution referred to in this article.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Vanaf het moment dat de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam is overleden, treden diens erfgenamen en de daaropvolgende erfgenamen in de plaats van de overleden erfgenaam, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij erfgenaam is van de overleden erfgenaam waarvoor hij in de plaats treedt.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een sociaal belang behartigende instelling: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen:
een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of
een economische deelgerechtigdheid is ontstaan.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder het afzonderen van vermogen verstaan:
het om niet of onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen;
het rechtens dan wel in feite, direct of indirect, vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd van de vervreemder, van zijn partner of van een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en met de vierde graad van de zijlijn.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een erfgenaam mede verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen.
In afwijking van het eerste lid worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan een persoon die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen indien degene die het vermogen heeft afgezonderd, diens partner en diens erfgenamen niet zijn te bepalen. Ingeval er meer begunstigden zijn, vindt naar verhouding van de mate van begunstiging de toerekening aan de begunstigden plaats.
Het eerste lid, tweede en derde volzin, is niet van toepassing met betrekking tot een erfgenaam, ingeval blijkt dat deze persoon en diens partner niet rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde zijn van het afgezonderd particulier vermogen en dit ook niet kunnen worden. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan de overige erfgenamen in dezelfde verhouding als zij verkrijgers krachtens erfrecht zouden zijn geweest bij uitsluiting van de in de eerste volzin bedoelde erfgenaam. De in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening is niet van toepassing ingeval blijkt dat de erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening.
Onder de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven ter zake waarvan blijkt dat die tot het vermogen, onderscheidenlijk de winst, van een onderneming van het afgezonderd particulier vermogen behoren, voor zover blijkt dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst. Onder een onderneming als bedoeld in de eerste volzin wordt mede begrepen een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde toerekening.