Article 2.14
in forceRaamwerk · Toerekeningsregels
If a benefit could be qualified as a component, whether or not exempt, of one of the taxable incomes on the basis of more than one chapter, section or subsection, the benefit shall be qualified as a component of the relevant taxable income exclusively on the basis of the chapter, section or subsection that is listed first.
Insofar as assets generate income, whether or not exempt, from employment and dwelling or from a substantial interest, they shall not be taken into account for the determination of the taxable income from savings and investments.
By way of derogation from the first and second paragraphs:
debts in respect of which the interest is excluded from deduction on the basis of a specific provision in Chapter 3 or Chapter 4, and debts that have been incurred in connection with an owner-occupied dwelling, but which do not constitute the owner-occupied dwelling debt as referred to in Article 3.119a, taken into account in the determination of the taxable income from savings and investments;
assets, or parts thereof, which generate income from work and dwelling or from a substantial interest during a period of no more than three consecutive months, and which generate income from savings and investments both prior to and subsequent to that period, shall also be taken into account in the determination of the taxable income from savings and investments if a reference date as referred to in Article 5.2 falls within this period;
assets, or parts thereof, which for a period of more than three consecutive months, but not more than six consecutive months, generate income from work and dwelling or from a substantial interest, and which generate income from savings and investments prior to and subsequent to that period, shall also be taken into account in the determination of the taxable income from savings and investments if a reference date as referred to in Article 5.2 falls within this period, unless the taxpayer demonstrates that his actions are based on business considerations;
assets, or parts thereof, which for a period of more than six consecutive months, but not more than eighteen consecutive months, generate income from work and dwelling or from a substantial interest and which, during at least a part of that period, belong to the assets of an entity in respect of which a lump-sum benefit as referred to in Article 4.13, paragraph 1, opening words and part a, from the shares in or profit-sharing certificates of that entity belongs to the regular benefits, as referred to in Article 4.12, part a, and which generate income from savings and investments prior to and subsequent to that period, shall also be taken into account in the determination of the taxable income from savings and investments if a reference date as referred to in Article 5.2 falls within this period, unless the taxpayer demonstrates that his actions are based on business considerations;
remunerations received from an employer who is a person connected with the taxpayer as referred to in Article 3.91, or in which the taxpayer or a person connected with him as referred to in Article 3.92 holds a substantial interest as referred to in Chapter 4, with the exception of Articles 4.10 and 4.11, in respect of costs and charges related to a workspace for himself in his dwelling, shall not be taken into account in the determination of the taxable wages, but in the determination of the taxable result from other activities, and such workspace shall be considered part of the assets of that activity, if the workspace constitutes an independently usable part of the dwelling according to prevailing social standards and:
in the event that the taxpayer also has a workspace outside that dwelling at their disposal, they derive their taxable wages primarily in the workspace in that dwelling, or
in the event that the taxpayer does not also have a workspace outside that dwelling at their disposal, they derive their taxable wages mainly in or from the workspace in that dwelling and derive them to a significant extent in the workspace in that dwelling.
With regard to paragraph 3, point (e), Article 3:16, paragraph 12, shall apply mutatis mutandis.
Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen.
Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden:
schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning, doch niet behoren tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;
vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2;
vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;
vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan zes achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan achttien achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren en die in ten minste een deel van die periode behoren tot de bezittingen van een lichaam waarbij een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, uit de aandelen in of winstbewijzen van dat lichaam tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoort, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;
van een werkgever die een met de belastingplichtige verbonden persoon is als bedoeld in artikel 3.91, of waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92 een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, ontvangen vergoedingen ter zake van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte ten behoeve van hemzelf in zijn woning, niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare loon, doch bij de bepaling van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en wordt die werkruimte tot het vermogen van die werkzaamheid gerekend, indien de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:
ingeval de belastingplichtige tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of
ingeval de belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.
Met betrekking tot het derde lid, onderdeel e, is artikel 3.16, twaalfde lid, van overeenkomstige toepassing.