Dutch Legislation

Article 1

in force

General provisions

European Works Councils Act · Chapter 1 · In force since 2011-11-15

Source
1.

For the purposes of this Act, the following definitions shall apply:

a.

concerned state: a Member State of the European Union or another state that is a party to the Agreement on the European Economic Area;

b.

Directive: Directive 2009/38/EC of the European Parliament and of the Council of 6 May 2009 on the establishment of a European Works Council or a procedure in Community-scale undertakings and Community-scale groups of undertakings for the purposes of informing and consulting employees (OJ EU 2009, L 122);

c.

a Community-scale undertaking: an undertaking which has, for the past two years, employed an average of at least 150 employees in each of at least two Member States and an average of at least 1,000 employees in the Member States in total, unless it belongs to a Community-scale group;

d.

a Community-scale group: the totality of undertakings consisting of a parent undertaking as referred to in Article 2 and the undertaking or undertakings over which it exercises control and of which:

1°.

at least two undertakings are established in different Member States and

2°.

for at least two years, one undertaking has had an average of at least 150 employees in one concerned state and another undertaking has had an average of at least 150 employees in another concerned state, and

3°.

all undertakings together have had an average of at least 1,000 employees in the states concerned for the past two years;

e.

cross-border matters: matters which are of importance for the entire Community-scale undertaking or the entire Community-scale group, or for at least two undertakings or establishments of a Community-scale undertaking or a Community-scale group in two different Member States;

f.

central management: in the case of a Community-scale undertaking: the management of that undertaking; in the case of a Community-scale group: the management of the controlling undertaking, as referred to in Article 2;

g.

provision of information: the provision of data regarding cross-border matters by the central management or any other more appropriate level of management to employee representatives, at such a time, in such a manner and with such content as to enable the employee representatives to form a thorough opinion on the consequences and, if necessary, to prepare for consultation with the central management or any other more appropriate level of management;

h.

consultation: the establishment of a dialogue and the exchange of views on proposed measures between the central management or any other more appropriate level of management and employee representatives, at such time, in such manner and with such content as to enable employee representatives, on the basis of the information provided regarding proposed measures concerning cross-border matters to which the consultation relates, to express an opinion within a reasonable period of time, which may be taken into account when the decision is made.

2.

If a Community undertaking has its domicile or registered office outside the Member States concerned, the central management shall be deemed to be:

a.

a person designated for that purpose by the Community-scale undertaking, who is responsible for the actual management of one of its establishments within a Member State, or, in the absence of such a designation:

b.

the person or persons who are charged with the actual management of the establishment that has the largest number of employees in one concerned state.

3.

If the parent undertaking, referred to in Article 2, has its domicile or registered office outside the Member States concerned, it may designate the management of a group undertaking with a domicile or registered office within the Member States concerned as its representative. In the absence of such a designation, the management of the group undertaking with a domicile or registered office within the Member States concerned that has the largest number of employees in one Member State shall be deemed to be such representative.

4.

Acts or omissions by the central management, as referred to in the first paragraph, point (e), or the third paragraph, respectively, shall be attributed to the natural person or legal entity that maintains the Community-scale undertaking or the parent undertaking, or the group undertaking referred to in the third paragraph, respectively.

1.

In deze wet wordt verstaan onder:

a.

betrokken staat: een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

b.

richtlijn: de richtlijn nr. 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PbEU 2009, L 122);

c.

een communautaire onderneming: een onderneming, die sinds twee jaar in ten minste twee betrokken staten elk gemiddeld ten minste 150 werknemers en in de betrokken staten samen gemiddeld ten minste 1000 werknemers heeft, tenzij zij behoort tot een communautaire groep;

d.

een communautaire groep: het geheel van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming als bedoeld in artikel 2 en de onderneming of ondernemingen waarover zij de zeggenschap uitoefent en waarvan:

1°.

ten minste twee ondernemingen in verschillende betrokken staten zijn gevestigd en

2°.

sinds twee jaar ten minste een onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een betrokken staat en een andere onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een andere betrokken staat heeft en

3°.

alle ondernemingen tezamen sinds twee jaar gemiddeld ten minste 1000 werknemers in de betrokken staten hebben;

e.

grensoverschrijdende aangelegenheden: aangelegenheden die voor de gehele communautaire onderneming of voor de gehele communautaire groep van belang zijn, of voor ten minste twee ondernemingen of vestigingen van een communautaire onderneming of een communautaire groep in twee verschillende betrokken staten;

f.

hoofdbestuur: in het geval van een communautaire onderneming: het bestuur van deze onderneming; in het geval van een communautaire groep: het bestuur van de moederonderneming, bedoeld in artikel 2;

g.

informatieverstrekking: het verstrekken van gegevens over grensoverschrijdende aangelegenheden door het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau aan werknemersvertegenwoordigers, op een zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat werknemersvertegenwoordigers zich een grondig oordeel kunnen vormen over de gevolgen en, desgewenst, raadpleging met het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau kunnen voorbereiden;

h.

raadpleging: het instellen van een dialoog en de uitwisseling van standpunten over voorgestelde maatregelen tussen het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau en werknemersvertegenwoordigers, op een zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat werknemersvertegenwoordigers in staat zijn op basis van de verstrekte informatie over voorgestelde maatregelen ten aanzien van grensoverschrijdende aangelegenheden waarmee de raadpleging verband houdt, binnen een redelijke termijn advies uit te brengen, waarmee rekening kan worden gehouden bij het nemen van het besluit.

2.

Indien een communautaire onderneming haar woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, wordt als hoofdbestuur aangemerkt:

a.

een daartoe door de communautaire onderneming aangewezen persoon, belast met de feitelijke leiding van een van haar vestigingen binnen een betrokken staat, dan wel, bij gebreke van zodanige aanwijzing:

b.

degene of degenen die zijn belast met de feitelijke leiding van de vestiging die het grootste aantal werknemers heeft in één betrokken staat.

3.

Indien de moederonderneming, bedoeld in artikel 2, haar woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, kan zij als haar vertegenwoordiger aanwijzen het bestuur van een groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de betrokken staten. Bij gebreke van zulk een aanwijzing wordt het bestuur van de groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de betrokken staten die het grootste aantal werknemers heeft in één betrokken staat, als zodanig aangemerkt.

4.

Handelen of nalaten door het hoofdbestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e onderscheidenlijk het derde lid, wordt toegerekend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de communautaire onderneming of de moederonderneming onderscheidenlijk de in het derde lid bedoelde groepsonderneming in stand houdt.