Article 3:1
in forcePregnancy, childbirth, adoption and foster care · The right to leave in connection with pregnancy, childbirth, adoption and foster care · § Form of leave
The female employee is entitled to pregnancy and maternity leave in connection with her confinement.
The right to pregnancy leave exists from six weeks before the day following the expected date of delivery, or from ten weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child, as indicated in a written statement from a physician or midwife submitted to the employer, up to and including the day of delivery. Pregnancy leave shall commence no later than four weeks before the day following the expected date of delivery or no later than eight weeks before that day if it concerns a pregnancy of more than one child.
Postnatal leave shall commence on the day following the delivery and shall consist of ten consecutive weeks, increased by the number of days by which the pregnancy leave up to and including the expected date of delivery, or, if it occurred earlier, up to and including the actual date of delivery, was less than six weeks, or, in the case of a pregnancy involving more than one child, was less than ten weeks.
For the application of the third paragraph, days in respect of which the female employee has received sickness benefit pursuant to Article 29a, paragraph 2, of the Sickness Act (Ziektewet) during the period in which she is entitled to pregnancy leave, but that leave has not yet commenced, shall be designated as days in respect of which she has enjoyed pregnancy leave.
If a child is admitted to a hospital during maternity leave due to its medical condition, the maternity leave shall be extended by the number of days of hospitalisation, calculated from the eighth day of hospitalisation up to and including the last day of the maternity leave, up to a maximum of ten weeks. The extension of the maternity leave referred to in the first sentence shall apply exclusively insofar as the hospitalisation lasts longer than the number of days by which the maternity leave is extended as a result of the actual date of birth pursuant to the third paragraph.
By way of derogation from the third paragraph, the female employee may request the employer to split the maternity leave after 6 weeks from the date on which the entitlement to that leave commenced. The female employee may take this part of the leave during a period of 30 weeks, which period commences on the day after the maternity leave has been split. The request shall be made no later than three weeks after the leave has commenced.
The extent of the maternity leave that has been split and is taken at a later time is equal to the working hours per week at the time of the maternity leave that follows the actual date of the childbirth.
The employer shall consent to the petition, as referred to in the sixth paragraph, no later than two weeks after the petition has been submitted, unless a serious business or service interest opposes this.
In the event of the application of the fifth paragraph, the petition referred to in the sixth paragraph shall relate to the period following the expiration of the extension referred to in the fifth paragraph.
De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of vanaf tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.
Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.
Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd.
In afwijking van het derde lid kan de vrouwelijke werknemer de werkgever verzoeken het bevallingsverlof op te delen na 6 weken waarop het recht op dat verlof is ingegaan. De vrouwelijke werknemer kan dit deel van het verlof opnemen gedurende het tijdvak van 30 weken, welk tijdvak aanvangt de dag nadat het bevallingsverlof is opgedeeld. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk drie weken nadat het verlof is ingegaan.
De omvang van het bevallingsverlof dat is opgedeeld en dat later wordt opgenomen is gelijk aan de arbeidsduur per week ten tijde van het bevallingsverlof dat volgt na de werkelijke datum van de bevalling.
De werkgever stemt uiterlijk twee weken nadat het verzoek, bedoeld in het zesde lid, is gedaan in met het verzoek, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
Ingeval van toepassing van het vijfde lid, ziet het verzoek, bedoeld in het zesde lid, op de periode na afloop van de verlenging, bedoeld in het vijfde lid.