Dutch Legislation

Article 42a

in force

Unemployment benefit · § The duration of the maintenance payment

Unemployment Insurance Act (WW) · Chapter II · § 4 · In force since 2022-01-01

Source
1.

For the application of Article 42, the following shall be equated with days for which wages have been received or with eight hours for which wages have been received:

a.

days for which an entitlement existed to a benefit which, by its nature and purpose, corresponds to a benefit under the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) or to a benefit under the Invalidity Insurance Act (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), insofar as the benefit is granted based on an incapacity for work of at least 80% or, respectively, is granted for periods during which the person is only capable of earning through work at most 20% of the reference income (maatmaninkomen), as referred to in Article 1 of the first-mentioned Act;

b.

days for which a person receives a benefit on the basis of Chapter III of the Military Personnel Disability Insurance Act (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen), calculated on the basis of an incapacity for work of at least 80%, or an allowance on the basis of that Chapter which, whether or not increased by the disability benefit, amounts to 70% or more of the daily wage on the basis of which the disability benefit is or would have been calculated.

2.

For the purposes of Article 42, calendar years that have not already been taken into account, in which a person is entitled to child benefit pursuant to Article 7 of the General Child Benefit Act (Algemene Kinderbijslagwet) or another family benefit as referred to in Article 3, paragraph 1, subparagraph (j), of Regulation (EC) No 883/2004 of the European Parliament and of the Council of the European Union of 29 April 2004 on the coordination of social security systems (OJ EU 2004, L 166) for a child belonging to his household who has not reached the age of five at the start of that calendar year, shall be equated for one half with calendar years in which wages were received for 52 or more days, or wages were received for 208 or more hours, respectively. The person referred to in the first sentence shall be designated as a care-providing person.

3.

For the purposes of Article 42, calendar years starting from and including a calendar year to be further determined by ministerial regulation, in which a person receives income for the provision of care on the basis of a personal budget scheme (persoonsgebonden budget) based on Article 3.3.3 of the Long-term Care Act (Wet langdurige zorg) or for the provision of support at the expense of a personal budget as referred to in Article 2.3.6 of the Social Support Act 2015 (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015), which have not already been taken into account, shall be equated for one half with calendar years in which wages were received for 52 or more days, or wages were received for 208 or more hours respectively, unless the care or support is provided as a self-employed person. The first sentence shall apply exclusively if the person referred to in the first sentence demonstrates that this provision of care satisfies or has satisfied these conditions. That person shall be designated as a caring person. Further rules may be established by ministerial regulation regarding the implementation of this paragraph.

4.

The second and third paragraphs shall not apply if, in a calendar year, the caregiver is entitled for a period exceeding six months to an unemployment benefit as an employee within the meaning of a statutory scheme concerning unemployment, or to the wage-related benefit pursuant to Chapter 7 of the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen).

5.

For the application of the second paragraph, the following definitions shall apply:

a.

a child means a person's own child, a child by marriage or a foster child;

b.

a foster child shall be understood to mean a child who is maintained and raised as an own child.

6.

For the application of Article 42, days, up to a maximum of eighteen months, during which the employee has enjoyed unpaid leave, shall be equated with days for which wages have been received or with eight hours for which wages have been received.

7.

For the purposes of this Article and of Article 42, a benefit shall not be considered as wages:

a.

pursuant to this Act, with the exception of a benefit pursuant to Chapter IV of this Act;

b.

pursuant to Chapter 7 of the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), with the exception of a benefit to a person who is only capable of earning through work at most 20% of the benchmark income (maatmaninkomen), as referred to in Article 1 of that Act;

c.

on the basis of the Invalidity Insurance Act (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), calculated according to an incapacity for work of less than 80%; or

d.

which by its nature and purpose corresponds to a benefit as referred to in point a, b or c.

8.

For the purposes of this Article and of Article 42, the benefit of making a car available for private purposes, as referred to in Article 13bis of the Wages Tax Act 1964 (Wet op de loonbelasting 1964), shall not be considered as wages.

9.

Rules may be established by administrative order (algemene maatregel van bestuur):

a.

for the determination of the number of days or the number of hours, respectively, over which wages have been received, as referred to in Article 42;

b.

on the basis of which, for the purpose of determining the number of 52 days or the number of 208 hours referred to in Article 42, days or hours for which no wages were received, other than as referred to in paragraph 6, shall be equated with days or hours for which wages were received.

1.

Voor de toepassing van artikel 42 worden met dagen waarover loon is ontvangen of met acht uren waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld:

a.

dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover de uitkering wordt toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over periodes waarin de persoon slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van eerstgenoemde wet;

b.

dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.

2.

Voor de toepassing van artikel 42 worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen, respectievelijk over 208 of meer uren loon is ontvangen. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon.

3.

Voor de toepassing van artikel 42 worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar, waarin een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op grond van een regeling voor persoonsgebonden budget, die is gegrond op artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg dan wel voor het verlenen van ondersteuning ten laste van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen, respectievelijk over 208 of meer uren loon is ontvangen, tenzij de zorg of ondersteuning wordt verleend als zelfstandige. De eerste zin is uitsluitend van toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat deze zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit lid.

4.

Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of op de loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

5.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder:

a.

een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;

b.

een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

6.

Voor de toepassing van artikel 42 worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen, waarover loon is ontvangen of met acht uren, waarover loon is ontvangen.

7.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 42 wordt niet als loon beschouwd een uitkering:

a.

op grond van deze wet, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet;

b.

op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van een uitkering aan de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van die wet;

c.

op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%; of

d.

die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a, b of c.

8.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 42 wordt niet als loon beschouwd het voordeel van het voor privé-doeleinden ter beschikking stellen van een auto, bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964.

9.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:

a.

ter vaststelling van het aantal dagen respectievelijk het aantal uren waarover loon is ontvangen, bedoeld in artikel 42;

b.

op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen of van het aantal van 208 uren, bedoeld in artikel 42, dagen of uren waarover, anders dan bedoeld in het zesde lid, geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen of uren waarover loon is ontvangen.