Article 24
in forceUnemployment benefit · § Enforcement of the right to maintenance
The employee shall prevent that he:
becomes culpably unemployed;
is or remains unemployed, because he:
fails to sufficiently endeavour to obtain suitable work;
fails to accept suitable employment offered or, through their own fault, does not obtain suitable employment;
fails to retain suitable employment through their own fault; or
sets requirements in connection with the work to be performed by him that impede the acceptance or obtaining of suitable work.
The employee has become culpably unemployed if:
an urgent reason underlies the unemployment within the meaning of Article 678 of Book 7 of the Civil Code (Burgerlijk Wetboek) and the employee can be held to blame in this regard;
the employment relationship has been terminated by or at the petition of the employee without such objections being associated with the continuation thereof that such continuation could not reasonably be required of him.
Suitable employment as referred to in the first paragraph shall, in the period before six months in which a right to benefit exists under this Act have elapsed, be understood to mean employment that aligns with the employment from which the employee became unemployed. After this six-month period, all employment that is commensurate with the powers and capabilities of the employee is suitable, unless acceptance cannot be required of him for reasons of a physical, mental, or social nature. Employment based on an employment relationship as referred to in Chapter 2 or 3 of the Social Employment Act (Wet sociale werkvoorziening) or employment on the basis of which one is not identified as an employee within the meaning of this Act shall not be considered suitable. Further rules shall be established by or pursuant to an order in council (algemene maatregel van bestuur) regarding the concept of suitable employment, whereby it shall also be determined in what manner it is established whether employment aligns with the employment from which the employee became unemployed, as well as in which cases a period in which a right to sickness benefit exists under the Sickness Benefits Act (Ziektewet) is included in the determination of the period referred to in the first sentence.
By way of derogation from the third paragraph, all work is directly suitable if the employee, after 104 weeks of illness, does not receive a benefit pursuant to Article 5 of the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) and, as a consequence thereof, receives a benefit pursuant to this Act.
The employee is obliged to conduct himself in such a manner that he does not, through his acts or omissions, prejudice or potentially prejudice the General Unemployment Fund (Algemeen Werkloosheidsfonds) or the Government Implementation Fund (Uitvoeringsfonds voor de overheid). Prejudice within the meaning of this Article does not include conduct as referred to in Article 25.
The failure of the employee to mount a defense against, or the consent of the employee to, a termination of the employment relationship by or at the petition of the employer shall not lead to a violation of the obligations referred to in the first paragraph, opening words and part (a), or the fifth paragraph.
The second and sixth paragraphs shall apply mutatis mutandis with respect to paragraph 1, subparagraph (b), under 3°, whereby for the purpose of the application mutatis mutandis of the second paragraph, subparagraph (b), the phrase "the employment relationship has been terminated" shall also be understood to mean: the work has been terminated or not continued.
Our Minister is authorised to establish rules whereby certain groups of employees are exempted from obligations imposed on them pursuant to paragraph 1, part b, under 1°, 2°, and 4°.
By or pursuant to an administrative order (algemene maatregel van bestuur), rules may be established on the basis of which employees may, in individual cases, be granted a temporary exemption from obligations imposed on them pursuant to paragraph 1, subparagraph b, under 1°, 2° or 4°.
In deviation from the sixth and seventh paragraphs, there is a case of prejudice as referred to in the fifth paragraph if the employee, during the extended period referred to in Article 25, ninth paragraph, of the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), has failed without sound reason to put up a defence against or has consented to a termination of the employment relationship.
De werknemer voorkomt dat hij:
verwijtbaar werkloos wordt;
werkloos is of blijft, doordat hij:
in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt, in de periode voordat zes maanden waarin een recht op uitkering bestaat op grond van deze wet zijn verstreken, verstaan arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of arbeid op grond waarvan men niet als werknemer in de zin van deze wet wordt aangemerkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, waarbij tevens wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld of arbeid aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden, alsmede in welke gevallen een periode waarin recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet bestaat, wordt meegeteld bij de vaststelling van de periode, bedoeld in de eerste zin.
In afwijking van het derde lid, is alle arbeid direct passend, indien de werknemer na 104 weken ziekte, op grond van artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen uitkering ontvangt en als gevolg hiervan een uitkering op grond van deze wet ontvangt.
De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.
Het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, of het vijfde lid.
Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.
Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, opgelegd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, opgelegd.
In afwijking van het zesde en zevende lid, is sprake van benadeling als bedoeld in het vijfde lid indien de werknemer tijdens het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking.