Article 172
in forceTHE OFFICE
1. Estimates of all the Office's revenue and expenditure shall be prepared for each financial year and shall be shown in the Office's budget. Each financial year shall correspond to the calendar year.
2. The revenue and expenditure shown in the budget shall be in balance.
3. Revenue shall comprise, without prejudice to other types of income, total fees payable under Annex I to this Regulation, total fees as provided for in Regulation (EC) No 6/2002, total fees payable, under the Madrid Protocol, for an international registration designating the Union, and other payments made to Contracting Parties to the Madrid Protocol, total fees payable, under the Geneva Act referred to in Article 106c of Regulation (EC) No 6/2002, for an international registration designating the Union and other payments made to Contracting Parties to the Geneva Act, and, to the extent necessary, a subsidy entered against a specific heading of the Commission section of the general budget of the Union.
4. Every year the Office shall offset the costs incurred by the central industrial property offices of the Member States, by the Benelux Office for Intellectual Property and by any other relevant authority to be nominated by a Member State, as the result of the specific tasks which they carry out as functional parts of the EU trade mark system in the context of the following services and procedures:
(a) opposition and invalidity proceedings before the central industrial property offices of the Member States and the Benelux Office for Intellectual Property involving EU trade marks;
(b) provision of information on the functioning of the EU trade mark system through helpdesks and information centres;
(c) enforcement of EU trade marks, including action taken pursuant to Article 9(4).
5. The overall offsetting of the costs identified in paragraph 4 shall correspond to 5 % of the yearly revenue of the Office. Without prejudice to the third subparagraph of this paragraph, on a proposal by the Office and after having consulted the Budget Committee, the Management Board shall determine the distribution key on the basis of the following fair, equitable and relevant indicators:
(a) the annual number of EU trade mark applications originating from applicants in each Member State;
(b) the annual number of national trade mark applications in each Member State;
(c) the annual number of oppositions and applications for a declaration of invalidity submitted by proprietors of EU trade marks in each Member State;
(d) the annual number of cases brought before the EU trade mark courts designated by each Member State in accordance with Article 123.
For the purpose of substantiating the costs referred to in paragraph 4, Member States shall submit to the Office by 31 March of each year, statistical data demonstrating the figures referred to in points (a) to (d) of the first subparagraph of this paragraph for the preceding year, which shall be included in the proposal to be made to the Management Board.
On grounds of equity, the costs incurred by the bodies referred to in paragraph 4 in each Member State shall be deemed to correspond to at least 2 % of the total offsetting provided for under this paragraph.
6. The obligation by the Office to offset the costs referred to in paragraph 4 and incurred in a given year shall only apply to the extent that no budgetary deficit occurs in that year.
7. In the event of a budgetary surplus, and without prejudice to paragraph 10, on a proposal by the Office and after having consulted the Budget Committee, the Management Board may increase the percentage laid down in paragraph 5 to a maximum of 10 % of the yearly revenue of the Office.
8. Without prejudice to paragraphs 4 to 7 and paragraph 10 of this Article and to Articles 151 and 152, where a substantive surplus is generated over five consecutive years, the Budget Committee, upon a proposal from the Office and in accordance with the annual work programme and multiannual strategic programme referred to in Article 153(1)(a) and (b), shall decide by a two-thirds majority on the transfer to the budget of the Union of a surplus generated from 23 March 2016.
9. The Office shall prepare on a biannual basis a report for the European Parliament, the Council and the Commission on its financial situation, including on the financial operations performed under Article 152(5) and (6), and paragraphs 5 and 7 of this Article. On the basis of that report, the Commission shall review the financial situation of the Office.
10. The Office shall provide for a reserve fund covering one year of its operational expenditure to ensure the continuity of its operations and the execution of its tasks.
1. Alle ontvangsten en uitgaven van het Bureau worden voor ieder begrotingsjaar geraamd en in de begroting van het Bureau opgenomen. Ieder begrotingsjaar stemt overeen met het kalenderjaar.
2. De ontvangsten en uitgaven op de begroting zijn in evenwicht.
3. De ontvangsten omvatten, onverminderd andere ontvangsten, de inkomsten aan taksen die op grond van bijlage I bij deze verordening zijn verschuldigd, de inkomsten aan taksen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 6/2002, de inkomsten aan taksen die op grond van het Protocol van Madrid zijn verschuldigd voor een internationale inschrijving met aanduiding van de Unie, alsmede andere betalingen aan de overeenkomstsluitende partijen bij het Protocol van Madrid, de inkomsten aan de in artikel 106 quater van Verordening (EG) nr. 6/2002 bedoelde taksen die op grond van de Akte van Genève zijn verschuldigd voor een internationale inschrijving met aanduiding van de Unie en, voor zover nodig, een subsidie op een specifiek onderdeel van de afdeling Commissie van de algemene begroting van de Unie.
4. Ieder jaar vergoedt het Bureau de kosten die door de centrale bureaus voor industriële eigendom van de lidstaten, het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom en andere betrokken en door de lidstaten aan te wijzen autoriteiten zijn gemaakt in het kader van de specifieke opdrachten die zij als schakel in het Uniemerkenstelsel uitvoeren in verband met de volgende diensten en procedures:
a) de oppositieprocedures en de procedures tot nietigverklaring die met betrekking tot Uniemerken worden gevoerd bij de centrale bureaus voor industriële eigendom van de lidstaten en bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom;
b) de informatieverstrekking over het Uniemerkenstelsel door helpdesks en informatiecentra;
c) de handhaving van Uniemerken, onder meer door middel van maatregelen uit hoofde van artikel 9, lid 4.
5. De totale vergoeding van de in lid 4 bedoelde kosten bedraagt 5 % van de jaarlijkse ontvangsten van het Bureau. Onverminderd de derde alinea van dit lid stelt de raad van bestuur, op voorstel van het Bureau en na raadpleging van het Begrotingscomité, de verdeelsleutel vast aan de hand van de volgende redelijke, billijke en relevante indicatoren:
a) het jaarlijks aantal aanvragen voor Uniemerken dat uit elke lidstaat afkomstig is;
b) het jaarlijks aantal aanvragen voor een nationaal merk in elke lidstaat;
c) het jaarlijks aantal opposities en vorderingen tot nietigverklaring die door houders van een Uniemerk in elke lidstaat zijn ingesteld;
d) het jaarlijks aantal zaken die bij de overeenkomstig artikel 123 door de lidstaten aangewezen gerechten voor het Uniemerk aanhangig zijn gemaakt;
Ten bewijze van de in lid 4 bedoelde kosten leggen de lidstaten uiterlijk op 31 maart van ieder jaar aan het Bureau statistieken over met de in de eerste alinea, onder a), b), c) en d), van dit lid bedoelde aantallen betreffende het voorgaande jaar, die in het bij de raad van bestuur in te dienen voorstel worden opgenomen.
Uit billijkheidsoverwegingen worden de in lid 4, bedoelde kosten van de instanties in iedere lidstaat geacht overeen te stemmen met ten minste 2 % van de totale vergoeding krachtens dit lid.
6. De verplichting van het Bureau om de in lid 4 bedoelde kosten voor een bepaald jaar te vergoeden, geldt uitsluitend voor zover er dat jaar geen sprake is van een begrotingstekort.
7. In geval van een begrotingsoverschot, en onverminderd lid 10, kan de raad van bestuur, op voorstel van het Bureau en na raadpleging van het Begrotingscomité, het in lid 5 neergelegde percentage verhogen tot maximaal 10 % van de jaarlijkse ontvangsten van het Bureau.
8. Indien er gedurende vijf opeenvolgende jaren een aanzienlijk overschot wordt gegenereerd, besluit het Begrotingscomité, onverminderd de leden 4 tot en met 7 en lid 10 van dit artikel en de artikelen 151 en 152, op voorstel van het Bureau en in overeenstemming met het jaarlijks werkprogramma en de strategische meerjarenprogramma's als bedoeld in artikel 153, lid 1, onder a) en b), met tweederdemeerderheid van stemmen over de overdracht van een gedeelte van het sinds 23 maart 2016 gegenereerde overschot naar de begroting van de Unie.
9. Het Bureau stelt om de twee jaar voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag over zijn financiële situatie op, onder meer inzake de in het kader van artikel 152, leden 5 en 6, en de leden 5 en 7 van onderhavig artikel verrichte financiële transacties. De financiële situatie van het Bureau wordt door de Commissie op basis van dat verslag beoordeeld.
10. Het Bureau houdt een financiële reserve aan die overeenstemt met één jaar aan operationele uitgaven, om de operationele continuïteit en de uitvoering van zijn taken te verzekeren.