Dutch Legislation

Article 166

in force

THE OFFICE

EU Trade Mark Regulation 2017/1001 · Chapter 12 · In force since None

Source

1. The President of the Boards of Appeal and the chairpersons of the Boards shall be appointed, in accordance with the procedure laid down in Article 158 for the appointment of the Executive Director, for a term of five years. They shall not be removed from office during this term, unless there are serious grounds for such removal and the Court of Justice, on application by the institution which appointed them, takes a decision to this effect.

2. The term of office of the President of the Boards of Appeal may be extended once for one additional five-year period, or until retirement age if this age is reached during the new term of office, after a prior positive evaluation of his performance by the Management Board.

3. The term of office of the chairpersons of the Boards may be extended for additional five-year periods, or until retirement age if this age is reached during the new term of office, after a prior positive evaluation of their performance by the Management Board, and after consulting the President of the Boards of Appeal.

4. The President of the Boards of Appeal shall have the following managerial and organisational functions:

(a) chairing the Presidium of the Boards of Appeal (‘the Presidium’), responsible for laying down the rules and organising the work of the Boards;

(b) ensuring the implementation of the decisions of the Presidium;

(c) allocating cases to a Board on the basis of objective criteria determined by the Presidium;

(d) forwarding to the Executive Director the Boards' expenditure requirements, with a view to drawing up the expenditure estimates.

The President of the Boards of Appeal shall chair the Grand Board.

5. The members of the Boards of Appeal shall be appointed by the Management Board for a term of five years. Their term of office may be extended for additional five-year periods, or until retirement age if that age is reached during the new term of office after a prior positive evaluation of their performance by the Management Board, and after consulting the President of the Boards of Appeal.

6. The members of the Boards of Appeal shall not be removed from office unless there are serious grounds for such removal and the Court of Justice, after the case has been referred to it by the Management Board on the recommendation of the President of the Boards of Appeal, and after consulting the chairperson of the Board to which the member concerned belongs, takes a decision to this effect.

7. The President of the Boards of Appeal and the chairpersons and members of the Boards of Appeal shall be independent. In their decisions, they shall not be bound by any instructions.

8. Decisions taken by the Grand Board on appeals or opinions on questions of law referred to it by the Executive Director pursuant to Article 165 shall be binding on the decision-making instances of the Office listed in Article 159.

9. The President of the Boards of Appeal and the chairpersons and members of the Boards of Appeal shall not be examiners or members of the Opposition Divisions, the Department in charge of the Register or Cancellation Divisions.

1. De president van de kamers van beroep en de kamervoorzitters worden voor een termijn van vijf jaar benoemd, volgens de in artikel 158 bedoelde procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur. Zij worden tijdens deze termijn niet uit hun ambt ontslagen, tenzij daarvoor ernstige redenen bestaan en het Hof van Justitie, op verzoek van de instelling die hen heeft benoemd, daartoe beslist.

2. De ambtstermijn van de president van de kamers van beroep kan eenmaal, na een positieve evaluatie van zijn prestaties door de raad van bestuur, worden verlengd met een termijn van vijf jaar, of tot zijn pensionering indien de pensioenleeftijd in de loop van de nieuwe ambtstermijn wordt bereikt.

3. De ambtstermijn van de kamervoorzitters kan, na een positieve evaluatie van hun prestaties door de raad van bestuur, en na raadpleging van de president van de kamers van beroep, worden verlengd met een termijn van vijf jaar, of tot hun pensionering indien de pensioenleeftijd in de loop van de nieuwe ambtstermijn wordt bereikt.

4. De president van de kamers van beroep vervult de volgende taken op het gebied van leiding en organisatie:

a) hij zit het presidium van de kamers van beroep („het presidium”), dat de werkzaamheden van de kamers regelt en organiseert, voor;

b) hij draagt zorg voor de uitvoering van de beslissingen van het presidium;

c) hij wijst zaken aan de kamers toe volgens door het presidium vastgestelde objectieve criteria;

d) hij stelt de uitvoerend directeur in kennis van de behoeften inzake uitgaven van de kamers met het oog op de opstelling van een raming van uitgaven.

De president van de kamers van beroep zit de grote kamer voor.

5. De leden van de kamers van beroep worden door de raad van bestuur voor een termijn van vijf jaar benoemd. Deze termijn kan, na een positieve evaluatie van hun prestaties door de raad van bestuur, en na raadpleging van de president van de kamers van beroep, worden verlengd met een termijn van vijf jaar, of tot hun pensionering indien de pensioenleeftijd in de loop van de nieuwe ambtstermijn wordt bereikt.

6. De leden van de kamers van beroep worden niet uit hun ambt ontslagen, tenzij daarvoor ernstige redenen bestaan en het Hof van Justitie daartoe beslist nadat de zaak door de raad van bestuur aanhangig is gemaakt op aanbeveling van de president van de kamers van beroep, na raadpleging van de voorzitter van de kamer waartoe het betrokken lid behoort.

7. De president van de kamers van beroep en de voorzitters en leden van de kamers zijn onafhankelijk. Bij hun beslissingen zijn zij niet aan instructies gebonden.

8. De beslissingen van de grote kamer over beroepen of de adviezen inzake rechtsvragen die de grote kamer overeenkomstig artikel 165 door de uitvoerend directeur worden voorgelegd, zijn verbindend voor de in artikel 159 genoemde instanties met beslissingsbevoegdheid van het Bureau.

9. De president van de kamers van beroep en de voorzitters en leden van de kamers vervullen niet de functie van onderzoeker of lid van een oppositieafdeling, een dienst die bevoegd is voor het register of een nietigheidsafdeling.