Dutch Legislation

Article 48

in force

Other forms of legal aid

Extradition Act · Chapter IV · In force since 2010-10-10

Source
1.

Aliens who, for the purpose of a criminal investigation or the execution of a criminal sentence, are placed at the disposal of the authorities of another state by the authorities of a foreign state, may be transported through Dutch territory with the consent of Our Minister.

2.

Consent for transport by land shall not be granted otherwise than pursuant to a treaty.

3.

The consent of Our Minister is not required for transport by air during which no landing is made on Netherlands territory.

4.

In the event of an unforeseen landing on Dutch territory, the foreign national may, at the request of the foreign officials accompanying him, be provisionally detained by virtue of an order from a locally competent public prosecutor or assistant public prosecutor. Articles 14 and 16a, paragraph 1, shall apply mutatis mutandis.

5.

The transport of the provisionally detained alien may be continued as soon as Our Minister grants permission to that effect. If the permission has not yet been granted after the expiry of the term of police custody (inverzekeringstelling), or if it has been refused within that term, the alien shall be released immediately, without prejudice to the possibility of further deprivation of liberty on other grounds.

1.

Vreemdelingen die, ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld, kunnen met toestemming van Onze Minister over Nederlands grondgebied worden vervoerd.

2.

Toestemming voor vervoer over land wordt niet gegeven dan krachtens een verdrag.

3.

De toestemming van Onze Minister is niet vereist voor vervoer door de lucht waarbij geen landing op Nederlands gebied wordt gemaakt.

4.

In geval van een niet voorziene landing op Nederlands gebied kan de vreemdeling, op verzoek van de hem begeleidende buitenlandse ambtenaren, voorlopig worden aangehouden krachtens een bevel van een ter plaatse bevoegde officier of hulpofficier van justitie. De artikelen 14 en 16a, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Het vervoer van de voorlopig aangehouden vreemdeling kan worden voortgezet, zodra Onze Minister daartoe alsnog toestemming verleent. Is de toestemming na afloop van de termijn van inverzekeringstelling nog niet verleend, of binnen die termijn geweigerd, dan wordt de vreemdeling terstond in vrijheid gesteld, behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde.