Dutch Legislation

Article 9.3

in force

Universal service

Telecommunications Act · Chapter 9 · In force since 2022-03-02

Source
1.

If Our Minister intends to proceed with a designation as referred to in Article 9.2, paragraph 1, he shall request the Authority for Consumers and Markets to determine whether the designation may constitute an unreasonable burden as referred to in Article 89, paragraph 1, of Directive (EU) 2018/1972 for the person designated as a universal service provider. In doing so, the Authority for Consumers and Markets shall observe the requirements referred to in Article 89 of Directive (EU) 2018/1972.

2.

If the Authority for Consumers and Markets determines that the designation of a universal service provider cannot constitute an unreasonable burden for the person being designated, the provider referred to in the fourth paragraph shall be designated as the universal service provider. The third through ninth paragraphs and Articles 9.4 and 9.5 shall not apply.

3.

If the Authority for Consumers and Markets determines that the designation may constitute an unreasonable burden for the person designated as the universal service provider, Our Minister shall publish the intention to proceed with a designation in the Government Gazette (Staatscourant). Such publication shall state the service or facility to be provided, the service area, and the period for which the designation will apply, and shall refer to the possibility of submitting a bid for the designation as provided for in the fifth paragraph.

4.

Our Minister shall, on the date of the announcement referred to in the third paragraph, further notify the intention to:

a.

in the case of a service to be provided, as referred to in Article 9.1, paragraph 1, point (a): the provider of the public electronic communications network to which the majority of end-users in the service area are connected;

b.

in the case of a service to be provided as referred to in Article 9, paragraph 1, points (b) through (d): the provider of the public electronic communications service to be provided, or, in the absence thereof, a related service used by the majority of end-users in the service area; or

c.

in the event of a facility to be provided: the provider of the public electronic communications service associated with the facility to be provided, which is used by the majority of end-users in the service area.

In this regard, reference is made to the obligation stipulated in the fifth paragraph for this provider to submit a bid for the designation.

5.

Within eight weeks after the date of the notification referred to in the third paragraph, a bid for the designation may be submitted to Our Minister, and the provider referred to in the fourth paragraph shall, in any event, submit its bid.

6.

It shall be determined by ministerial regulation whether a bid is submitted by:

a.

the specification of an amount per year, or

b.

the specification of an amount per unit of use or of the service to be purchased, as designated in the ministerial regulation.

By ministerial regulation, it may be provided that, in addition to the offer, an amount independent of the use shall be reimbursed, and what the amount of that payment shall be.

7.

A bid shall be refused if it is expected that the bidder will not be able to provide the universal service in a proper manner.

8.

The person who has submitted the lowest bid, which has not been refused pursuant to the seventh paragraph, shall be designated as the universal service provider.

9.

If the comparison referred to in the eighth paragraph shows that more than one bidder has submitted the lowest bid, it shall be decided by lot which of them is designated as the universal service provider.

1.

Indien Onze Minister voornemens is over te gaan tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, verzoekt hij de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen of de aanwijzing een onredelijke last als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van richtlijn (EU)2018/1972, kan vormen voor degene die wordt aangewezen als universeledienstverlener. Hierbij neemt de Autoriteit Consument en Markt de voorschriften, bedoeld in artikel 89 van richtlijn (EU) 2018/1972, in acht.

2.

Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat het aanwijzen van een universeledienstverlener geen onredelijke last kan vormen voor degene die wordt aangewezen, wordt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, aangewezen als universeledienstverlener. Het derde tot en met negende lid en de artikelen 9.4 en 9.5 zijn niet van toepassing.

3.

Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de aanwijzing een onredelijke last kan vormen voor degene die wordt aangewezen als universeledienstverlener maakt Onze Minister het voornemen over te gaan tot een aanwijzing bekend in de Staatscourant. In die bekendmaking worden de te verzorgen dienst of voorziening, het verzorgingsgebied en de periode waarvoor de aanwijzing zal gelden vermeld en wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde mogelijkheid een bod uit te brengen op de aanwijzing.

4.

Onze Minister maakt op de datum van de in het derde lid bedoelde bekendmaking het voornemen voorts bekend aan:

a.

in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel a: de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten;

b.

in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen b tot en met d: de aanbieder van de te verzorgen openbare elektronische communicatiedienst, of, bij het ontbreken daarvan, een daarmee samenhangende dienst, waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken; of

c.

in het geval van een te verzorgen voorziening: de aanbieder van de met de te verzorgen voorziening samenhangende openbare elektronische communicatiedienst waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken.

Daarbij wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde verplichting voor deze aanbieder een bod uit te brengen op de aanwijzing.

5.

Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, bedoelde bekendmaking kan bij Onze Minister een bod worden uitgebracht op de aanwijzing en brengt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, in ieder geval zijn bod uit.

6.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald of een bod wordt uitgebracht door:

a.

het opgeven van een bedrag per jaar, of

b.

het opgeven van een bedrag per in de ministeriële regeling aangewezen eenheid van het gebruik of de af te nemen voorziening.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aanvullend op het bod een van het gebruik onafhankelijk bedrag wordt vergoed, en wat de hoogte is van dat bedrag.

7.

Een bod wordt geweigerd indien de bieder naar verwachting de universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.

8.

Degene die het laagste bod heeft uitgebracht, dat niet op grond van het zevende lid is geweigerd, wordt aangewezen als universeledienstverlener.

9.

Indien uit de in het achtste lid bedoelde vergelijking blijkt dat meer dan een bieder het laagste bod hebben uitgebracht, wordt door middel van het lot beslist wie van hen wordt aangewezen als universeledienstverlener.