Article 20
in forceGrondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht
For the purpose of the inheritance tax assessment, only the costs of the funeral, insofar as they are not excessive, may be deducted from the estate as liabilities.
The costs of funeral arrangements may be understood to include the sums discussed or paid out for the funeral of the deceased and for religious or philosophical ceremonies to be held on his behalf up to one year after the death.
Debts chargeable to the estate of the deceased may only be deducted insofar as they are legally enforceable, and in that case subject to the following:
Accrued interest and other periodic obligations, as well as property taxes, dike and polder levies, mill and sluice dues and similar assessments, are deductible only up to and including the day of death.
Tax debts may not be deducted, insofar as an exemption can be obtained for them.
Legal claims for the performance of debts, in respect of which the limitation period has expired at the time of death, are presumed to be time-barred.
The income tax for which the acquirer may become liable in respect of the following shall be deducted from the acquisition:
reserves within the meaning of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001) included in the acquired assets of an enterprise or an activity;
annuities of acquired rights not belonging to the assets of an enterprise which, pursuant to the Income Tax Act 2001, yield taxable periodic payments and provisions (stamrechten);
acquired shares, profit-sharing certificates, certificates of participation and call options as referred to in Article 4.4 of the Income Tax Act 2001 which, pursuant to that Act, constitute a substantial interest.
The tax referred to in the fifth paragraph shall be set at:
30% of the amount of the reserves, insofar as it concerns the old-age reserve;
20% of the amount of the other reserves;
30% of the value of the pension rights (stamrechten);
6.25% of the value of the shares, profit-sharing certificates, certificates of participation and call options, insofar as this exceeds their acquisition price within the meaning of the Income Tax Act 2001.
For the application of this article:
the person who is only entitled to the benefits from the assets referred to in the fifth paragraph, point (c), shall be treated as the holder of those assets, and his entitlement shall be regarded as such an asset;
Articles 4.5a and 4.5b of the Income Tax Act 2001 apply mutatis mutandis.
Voor de regeling van de erfbelasting kunnen van de nalatenschap als lasten slechts worden afgetrokken de kosten van lijkbezorging voor zover zij niet bovenmatig zijn.
Onder de kosten van lijkbezorging kunnen worden begrepen de sommen, besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van de erflater en de tot een jaar na het overlijden te zijnen behoeve te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheden.
De schulden ten laste van de erflater kunnen slechts worden afgetrokken voor zover zij rechtens afdwingbaar zijn en alsdan behoudens het navolgende:
lopende renten en andere periodieke verplichtingen, alsmede zakelijke belastingen, dijk- en polderlasten, molen- en sluisgelden en soortgelijke omslagen zijn slechts aftrekbaar tot en met de dag van het overlijden;
belastingschulden kunnen niet worden afgetrokken, voor zover daarvoor ontheffing kan worden verkregen.
Rechtsvorderingen tot nakoming van schulden, ten aanzien waarvan ten tijde van het overlijden de verjaringstermijn is verstreken, worden vermoed te zijn verjaard.
Op de verkrijging wordt in mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de verkrijger verschuldigd kan worden ter zake van:
in het verkregen vermogen van een onderneming of een werkzaamheid begrepen reserves in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001;
termijnen van verkregen, niet tot het vermogen van een onderneming behorende rechten die ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen opleveren (stamrechten);
verkregen aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties als bedoeld in artikel 4.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die ingevolge die wet tot een aanmerkelijk belang behoren.
De in het vijfde lid bedoelde belasting wordt gesteld op:
30% van het bedrag van de reserves, voorzover het de oudedagsreserve betreft;
20% van het bedrag van de overige reserves;
30% van de waarde van de stamrechten;
6,25% van de waarde van de aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties, voorzover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 overtreft.
Voor de toepassing van dit artikel:
wordt met de houder van de in het vijfde lid, onderdeel c, genoemde vermogensbestanddelen gelijkgesteld degene die slechts is gerechtigd tot voordelen uit die vermogensbestanddelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als een dergelijk vermogensbestanddeel;
zijn de artikelen 4.5a en 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.