Dutch Legislation

Article 19

in force

Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht

Inheritance and Gift Tax Act 1956 · Chapter I · In force since 2026-01-01

Source
1.

For the application of this Act, the following shall be treated as equivalent:

a.

for the determination of affinity, two unmarried persons who are considered each other's partners pursuant to Article 1a, with married persons;

b.

relatives by affinity with blood relatives, on the understanding that this equivalence ends in the event that the partnership from which the affinity arose has ended otherwise than by death;

c.

foster children and children who stand in a family law relationship to the foster parent;

d.

children over whom, in accordance with Article 253t of Book 1 of the Civil Code, a person other than the parent exercises or has exercised parental responsibility jointly with the parent, with children who stand in a family law relationship to that other person;

e.

children over whom, in accordance with Article 282 or 292 of Book 1 of the Civil Code, guardianship is or has been exercised jointly by two persons, with children who stand in a family law relationship to those persons;

f.

children who do not stand in a legal family relationship to the person who, according to a genetic test, appears to be their biological parent, with children who do stand in a legal family relationship to that person.

2.

Foster children are defined as those who, prior to the time they have reached the age of 21 or the time they have entered into a marriage before that age, have been maintained and brought up as one's own child for at least five years exclusively by the foster parent, or exclusively by him and his spouse jointly.

3.

Rules may be established by Order in Council regarding the genetic test by which the taxpayer may provide evidence of biological parenthood.

1.

Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:

a.

voor de bepaling van aanverwantschap, twee ongehuwde personen die ingevolge artikel 1a als elkaars partners worden aangemerkt, met gehuwden;

b.

aanverwanten met bloedverwanten, met dien verstande dat deze gelijkstelling eindigt ingeval het partnerschap dat de aanverwantschap deed ontstaan anders dan door overlijden is geëindigd;

c.

pleegkinderen met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan;

d.

kinderen over wie overeenkomstig artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het ouderlijk gezag uitoefent of heeft uitgeoefend met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot die ander staan;

e.

kinderen over wie overeenkomstig artikel 282 of 292 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de voogdij door twee personen gezamenlijk wordt uitgeoefend of is uitgeoefend met kinderen die tot die personen in familierechtelijke betrekking staan;

f.

kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot de persoon waarvan uit een genetische test blijkt dat die hun biologische ouder is, met kinderen die wel in familierechtelijke betrekking staan tot die persoon.

2.

Als pleegkinderen worden aangemerkt zij, die vóór het tijdstip waarop zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende ten minste vijf jaren uitsluitend door de pleegouder - dan wel uitsluitend door hem en zijn echtgenoot tezamen - als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de genetische test waarmee de belastingplichtige het biologische ouderschap kan doen blijken.