Article 16
in forceGrondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht
The assets and debts of a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) as referred to in Article 2.14a, paragraph 2, of the Income Tax Act 2001, which until the death of a decedent were attributed to that decedent pursuant to that article, and as of his death to his heirs, shall, for the application of this Act and the provisions based thereon, be deemed to have been acquired by those heirs by succession, specifically per heir for the portion that is attributed to the heir pursuant to that article. The first sentence shall apply mutatis mutandis with respect to assets and debts as referred to in Article 2.14a, paragraph 7, of the Income Tax Act 2001 which, without the application of that paragraph, would have been attributed to the decedent until his death, and as of his death to his heirs.
For the purposes of this Act and the provisions based thereon, property acquired by way of succession shall also include the acquisition, as a result of the death of a testator, of a legally enforceable claim against a segregated private capital (afgezonderd particulier vermogen) as referred to in Article 2.14a of the Income Tax Act 2001.
Rules may be laid down by ministerial regulation regarding the acquisition referred to in this article.
De bezittingen en de schulden van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die tot het overlijden van een erflater ingevolge dat artikel zijn toegerekend aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn erfgenamen, worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht door die erfgenamen krachtens erfrecht te zijn verkregen en wel per erfgenaam voor het deel dat ingevolge dat artikel aan de erfgenaam wordt toegerekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 die zonder toepassing van dat lid tot het overlijden van de erflater zouden zijn toegerekend aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn erfgenamen.
Onder hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan het ten gevolge van het overlijden van een erflater verkrijgen van een in rechte vorderbare aanspraak op een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter zake van de in dit artikel bedoelde verkrijging.