Dutch Legislation

Article 17

in force

Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht

Inheritance and Gift Tax Act 1956 · Chapter I · In force since 2010-01-01

Source
1.

Anything acquired from a separated private capital (afgezonderd particulier vermogen) as referred to in Article 2.14a, paragraph 2, of the Income Tax Act 2001, in a manner other than as referred to in Article 16, shall, for the application of this Act and the provisions based thereon, be deemed to have been acquired by way of gift from the person or persons to whom the assets and liabilities of the separated private capital are attributed pursuant to Article 2.14a of the Income Tax Act 2001. The first sentence shall apply mutatis mutandis with regard to anything acquired, in a manner other than as referred to in Article 16, at the expense of assets as referred to in Article 2.14a, paragraph 7, of the Income Tax Act 2001, on the understanding that in that case it shall be deemed to have been acquired from the person or persons to whom those assets would have been attributed without the application of that paragraph.

2.

Rules may be laid down by ministerial regulation with regard to the gift referred to in this article.

1.

Al wat wordt verkregen van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, geacht door schenking te zijn verkregen van de persoon of personen waaraan de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen ingevolge artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden toegerekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot al wat wordt verkregen, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, ten laste van bezittingen als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in dat geval wordt geacht te zijn verkregen van de persoon of personen waaraan die bezittingen zonder toepassing van dat lid zouden zijn toegerekend.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld van ter zake van de in dit artikel bedoelde schenking.