Dutch Legislation

Article 59a

in force

Traffic rules · § Seat belts and child restraint systems

Traffic Rules and Signs Regulation (RVV 1990) · Chapter II · § 27 · In force since 2010-07-01

Source
1.

Drivers of a bus and their passengers aged 3 years or older shall use the seat belt or the child restraint system with which the bus is equipped when they are in their seats and the vehicle is participating in traffic.

2.

Passengers of a bus that is in motion shall be informed that it is mandatory to use the safety system referred to in the first paragraph when they are in their seats and the vehicle is participating in traffic. This notification shall be provided in one or more of the following ways:

a.

by the driver, the conductor, the tour leader or a person designated as group leader;

b.

by audiovisual means;

c.

by means of inscriptions or the following pictogram: The pictogram shall, when used, be clearly affixed to every seat.

3.

By way of derogation from the first paragraph, passengers of buses in which the transport of standing passengers is permitted are not required to use a safety system, and passengers of buses operating urban or regional transport according to a timetable within built-up areas are not required to use a safety system.

4.

Drivers of a bus are prohibited from transporting passengers under the age of 12 in any manner other than that prescribed in this article.

5.

The first paragraph does not apply to passengers using a berth. These passengers shall, if available, use the safety device intended for that purpose which forms part of the vehicle or of the system by which the berth is attached to the floor of the vehicle.

1.

Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.

2.

Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:

a.

door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;

b.

door audiovisuele middelen;

c.

door opschriften of het volgende pictogram: Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.

3.

In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken.

4.

Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

5.

Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.