Article 59
in forceTraffic rules
Drivers of a passenger car, a commercial vehicle, a three-wheeled motor vehicle with a closed body, or a microcar, and their passengers, shall use the seat belts available to them. Passengers under the age of 18 and with a height of less than 1.35 metres shall use a child restraint system suitable for them that bears a quality mark as referred to in Article 22, paragraph 5, of the Act. When the seats intended for passengers are equipped with seat belts, no more passengers shall be transported in these seats than there are seat belts available.
In a passenger car, a commercial vehicle, a three-wheeled motor vehicle with a closed body, or a microcar that is not equipped with a seat belt or a child restraint system as referred to in the first paragraph, no passengers under the age of 3 shall be transported, and passengers between the ages of 3 and 18 with a height of less than 1.35 metres shall be transported in a seat other than one of the front seats.
Passengers under the age of 18 shall not be transported in a rear-facing child restraint system on a passenger seat equipped with a front airbag, unless such airbag has been deactivated or is automatically deactivated in an adequate manner.
The first paragraph does not apply to passengers using a wheelchair. These passengers shall be transported in a wheelchair that is secured in the vehicle in a manner that guarantees the stability of the wheelchair and the safety of the wheelchair user. These passengers shall use:
the seat belt available to them that forms part of the vehicle,
the safety belt that forms part of the system by which the wheelchair is secured to the floor of the vehicle, or
a construction designated by Our Minister.
The first paragraph, second sentence, and the second paragraph do not apply during transport in taxis. In taxis in which no child restraint system is present, passengers who are under the age of 18 and have a height of less than 1.35 metres shall be transported in a seat other than one of the front seats.
The first paragraph, insofar as it relates to drivers, and the fourth paragraph shall not apply during the transport of passengers for remuneration within the meaning of the Passenger Transport Act 2000 (Wet personenvervoer 2000) and during demand-responsive public transport in taxis, other than in cases where an agreement has been concluded as referred to in Article 81, paragraph 2, of that Act, or other than during taxi transport in a taxi that is equipped for wheelchair transport in accordance with the requirements set out in that regard in the Vehicle Regulations (Regeling voertuigen).
The seat belt, the safety belt or the child restraint system shall be used in a manner that does not, or cannot, negatively affect its protective function. Persons aged 18 years or older and persons under the age of 18 who, in the relevant circumstances, are not required to use a child restraint system, may use a device by means of which the diagonal part of the seat belt is guided over the shoulder. Our Minister may set further requirements for such a device.
Drivers of the vehicles referred to in the first paragraph are prohibited from transporting passengers under the age of 12 and passengers using a wheelchair in any manner other than that prescribed in this article.
The first paragraph does not apply to passengers using a berth. If available, these passengers shall use the designated safety device that forms part of the vehicle or of the system by which the berth is secured to the floor of the vehicle.
Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.
Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.
Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.
Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van:
de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig,
de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of
een door Onze Minister aangewezen constructie.
Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.
Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen.
De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen.
Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.