Dutch Legislation

Article 818

in force

Legal proceedings in matters concerning the law of persons and family law · Administration of justice in separation cases

Code of Civil Procedure (Rv) — Book 3 · Title 6 · Section 2 · In force since 2009-03-01

Source
1.

In deviation from the provisions of Article 279, paragraph 1, a hearing in court may be omitted if there are no minor children who, pursuant to Article 809, must be given the opportunity to make their views known and, in the case of a petition (application) by one of the spouses (echtgenoten), no statement of defence has been filed in a timely manner.

2.

The court may refer the spouses to a mediator for the purpose of allowing the spouses to reach agreements by mutual consultation on one or more consequences of the divorce (echtscheiding) if the petition or the hearing at the trial provides grounds for doing so.

3.

Upon a concurrent oral or written petition of the spouses, the proceedings shall not be commenced or continued before the expiry of a period designated by them, unless this leads to unreasonable delay of the proceedings.

4.

If a statement of defence containing an independent petition has been filed in a timely manner, the hearing shall not commence until a statement of defence has been filed against this petition or the applicable time limit for doing so has expired unused.

5.

The hearing shall take place, if possible, in a single session.

6.

Articles 802 and 803 shall apply mutatis mutandis.

1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 279, eerste lid, kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven indien er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge artikel 809 in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken en er, wanneer het een verzoek van een der echtgenoten betreft, niet tijdig verweer is gevoerd.

2.

De rechter kan de echtgenoten naar een mediator verwijzen met als doel om de echtgenoten in onderling overleg tot afspraken over één of meer gevolgen van de echtscheiding te laten komen indien het verzoekschrift of de behandeling ter terechtzitting daartoe aanleiding geeft.

3.

Op een eensluidend mondeling of schriftelijk verzoek van de echtgenoten wordt de behandeling niet aangevangen of voortgezet voor het verstrijken van een door hen aangeduide termijn, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding.

4.

Indien tijdig een verweerschrift is ingediend dat een zelfstandig verzoek bevat, vangt de behandeling niet aan voordat tegen dit verzoek een verweerschrift is ingediend dan wel de daarvoor geldende termijn ongebruikt is verstreken.

5.

De behandeling geschiedt, indien mogelijk, in één zitting.

6.

De artikelen 802 en 803 zijn van overeenkomstige toepassing.