Article 42
in forceProcessing of patent applications
The State shall grant the person, in respect of whose patent application Articles 40, 41 or 46 have been applied, upon his petition, compensation for damage which he has suffered as a result of the application of those articles.
The amount of the compensation shall be determined after the suspension has ended. If, however, an extension of the term of suspension has taken place pursuant to Article 41, paragraph 3, the amount of the compensation shall, upon the petition of the applicant, be determined in parts, the first of which relates to the period of time prior to the commencement of the first extension, the subsequent ones to the period of time between two consecutive extensions, and the final one to the period of time from the commencement of the last extension until the end of the suspension; the determination shall then be made in each case after the expiry of the relevant period of time.
The determination shall, if possible, be effected by Our Minister of Defence and the applicant in mutual consultation. If no agreement has been reached within six months after the end of the period for which the compensation is to apply, Article 58, paragraph 6, first sentence, shall apply mutatis mutandis.
De Staat verleent degene, ten aanzien van wiens octrooiaanvrage de artikelen 40, 41 of 46 zijn toegepast, op zijn verzoek vergoeding van schade, die hij door toepassing van die artikelen heeft geleden.
Het bedrag van de schadeloosstelling wordt vastgesteld na het eindigen van de opschorting. Ingeval echter verlenging van de termijn van opschorting krachtens artikel 41, derde lid, heeft plaatsgevonden, wordt het bedrag van de schadeloosstelling op verzoek van de aanvrager vastgesteld in gedeelten, waarvan het eerste betrekking heeft op de tijdsruimte vóór de aanvang van de eerste verlenging, de volgende op de tijdsruimte tussen twee opeenvolgende verlengingen en het laatste op de tijdsruimte vanaf de aanvang van de laatste verlenging tot het eindigen van de opschorting; de vaststelling geschiedt dan telkens na het verstrijken van de betrokken tijdsruimte.
De vaststelling geschiedt zo mogelijk door Onze Minister van Defensie en de aanvrager in onderling overleg. Indien binnen zes maanden na het einde van de tijdsruimte, waarvoor de vergoeding moet gelden, geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.