Dutch Legislation

Article 23q

in force

Processing of patent applications

Patents Act 1995 · Chapter 2 · In force since 2003-05-01

Source
1.

The complainant may lodge a written objection with the supervisory board against the decision of the chair of the supervisory board to reject a complaint, within fourteen days after the day of dispatch of the copy of the decision. In doing so, the complainant shall state with reasons which considerations of the chair of the board they cannot agree with and may request to be heard regarding their objection.

2.

If an objection has been lodged against the decision of the chair of the council in accordance with the first paragraph, the latter shall designate another member of the council to replace him in the handling of the objection.

3.

As a result of the objection, the decision of the chair of the council shall lapse, unless the council declares the objection inadmissible or unfounded.

4.

If the board is of the opinion that the complaint is manifestly inadmissible, manifestly unfounded, or of insufficient weight, it may declare the objection inadmissible or unfounded without further investigation, provided that it has first given the complainant who requested so the opportunity to be heard.

5.

The decision to declare the objection inadmissible or unfounded shall be reasoned. No legal remedy shall be available against this decision. The secretary of the council shall, without delay, send a copy of the council's decision to the complainant and the patent attorney concerned by registered letter.

6.

If the court is of the opinion that the objection is well-founded, the case shall be taken into further consideration.

1.

Tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van toezicht tot afwijzing van een klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de raad van toezicht. Hij geeft daarbij gemotiveerd aan met welke overwegingen van de voorzitter van de raad hij zich niet kan verenigen en kan vragen over zijn verzet te worden gehoord.

2.

Indien overeenkomstig het eerste lid verzet is gedaan tegen de beslissing van de voorzitter van de raad, wijst deze een ander lid van de raad aan om hem bij de behandeling van het verzet te vervangen.

3.

Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing van de voorzitter van de raad, tenzij de raad het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart.

4.

Indien de raad van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij zonder nader onderzoek het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de klager die daarom vroeg, in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.

5.

De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring of tot ongegrondverklaring van het verzet is met redenen omkleed. Daartegen staat geen rechtsmiddel open. De secretaris van de raad zendt aan de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde onverwijld bij aangetekende brief een afschrift van de beslissing van de raad.

6.

Indien de raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt de zaak in verdere behandeling genomen.