Dutch Legislation

Article 49e

in force

(Involuntary) medical treatment

Juvenile Institutions Regulation · Chapter 8 · In force since 2013-07-01

Source
1.

The director shall notify the chairperson of the supervisory committee, the legal counsel of the juvenile, and, if the juvenile has not yet reached the age of sixteen, his parents or guardian, stepparent, or foster parents of the intention to take a decision regarding a-compulsory treatment no later than three days prior to the taking of that decision. They shall be given the opportunity to make known any objections to the decision.

2.

The chair of the supervisory committee shall immediately notify the monthly commissioner. Upon such notification, the monthly commissioner shall immediately visit the juvenile.

3.

The application of a-compulsory treatment, b-compulsory treatment, a compulsory medical act, or the continuation of a-compulsory treatment shall be notified to Our Minister and the supervisory committee no later than at the commencement of the treatment. In the event of a- or b-compulsory treatment, and if a compulsory medical act is applied in connection with a danger resulting from a disorder of the mental faculties of the minor, notification shall also be made to the inspector.

4.

At the commencement of an a-compulsory treatment, the director thereof shall likewise notify the persons referred to in the first paragraph.

5.

The director shall, with the notification referred to in paragraph 3, enclose a copy of the decision regarding the treatment, in which he shall in any event state:

a.

in connection with which danger the decision was taken for an A- or B-compulsory treatment, or a compulsory medical act;

b.

which less intrusive measures have been employed to remove or avert the danger;

c.

which persons, as referred to in Article 51c, under (c), of the Act, object to the treatment;

d.

the manner in which the preferences of the minor are taken into account and, if the minor has not yet reached the age of sixteen, the preferences of his parents or guardian, stepparent or foster parents regarding the treatment; and

e.

if a treatment takes place in a situation in which it is the minor who objects, or [in which] the minor can be deemed capable of making use of the arrangement contained in Chapter XIII–XIV or XV of the Act, respectively.

6.

In the event of a decision for a-compulsory treatment, b-compulsory treatment or the continuation of a-compulsory treatment, the director shall also state which attempts have been made to reach an agreement as referred to in Article 51c, under b, of the Act. In the event of a decision for a-compulsory treatment, he shall furthermore state which objections against the treatment have been raised by the persons referred to in the first paragraph.

7.

The director shall give notice of the termination of an a-compulsory treatment, b-compulsory treatment or compulsory medical act to the persons referred to in the third paragraph and – if applicable – the fourth paragraph.

8.

Our Minister may establish a model for the notifications.

1.

De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders in kennis van het voornemen tot een beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.

2.

De voorzitter van de commissie van toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris. De maandcommissaris bezoekt na de melding onverwijld de jeugdige.

3.

Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van a-dwangbehandeling wordt uiterlijk bij de aanvang van de behandeling melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Ingeval van a- of b-dwangbehandeling en indien een gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in verband met een gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, wordt tevens melding gedaan aan de inspecteur.

4.

Bij de aanvang van een a-dwangbehandeling geeft de directeur daarvan eveneens kennis aan de in het eerste lid genoemde personen.

5.

De directeur zendt met de melding, bedoeld in het derde lid, een afschrift van de beslissing tot de behandeling mee waarin hij in ieder geval vermeldt:

a.

in verband met welk gevaar is besloten tot een a- of b-dwangbehandeling, dan wel een gedwongen geneeskundige handeling;

b.

welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar weg te nemen dan wel af te wenden;

c.

welke personen, bedoeld in artikel 51c, onder c, van de wet, zich tegen de behandeling verzetten;

d.

de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt de voorkeuren van zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders ten aanzien van de behandeling; en

e.

indien een behandeling plaatsvindt in een situatie waarin het de jeugdige is die zich verzet, of deze in staat kan worden geacht gebruik te kunnen maken van de regeling, vervat in Hoofdstuk XIII–XIV respectievelijk XV van de wet.

6.

Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of voortzetting van a-dwangbehandeling, vermeldt de directeur tevens welke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming als bedoeld in artikel 51c, onder b, van de wet te komen. In geval van een beslissing tot a-dwangbehandeling vermeldt hij bovendien welke bezwaren tegen de behandeling zijn aangevoerd door de personen, bedoeld in het eerste lid.

7.

Van een beëindiging van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling geeft de directeur kennis aan de personen, genoemd in het derde en – indien van toepassing – vierde lid.

8.

Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.