Dutch Legislation

Article 31

in force

Leave

Juvenile Institutions Regulation · Chapter 6 · In force since 2011-07-01

Source
1.

In the assessment of a leave to be granted, the interest of the juvenile shall be weighed against the risks to the continuity of the enforcement and to public order and safety. The leave may only be granted if any risks are deemed acceptable.

2.

Risks may be defined as:

a.

absconding from the institution,

b.

refusal to consent to preventive measures to prevent evasion of a custodial sentence or a measure involving deprivation of liberty,

c.

risk of recidivism

d.

social unrest resulting from the leave,

e.

a suspicion that the leave will lead to alcohol or drug abuse or an attempt to introduce illicit objects into the institution,

f.

doubt regarding the performance of agreements,

g.

aggressive behavioural characteristics that may pose a risk to the undisturbed course of the leave,

h.

the existence of serious tensions in the living or residential environment or surrounding persons who may be encountered,

i.

a potential undesirable confrontation of the juvenile with a victim or a person otherwise involved in the offence,

j.

the suspicion that the minor will become a victim of an act of revenge.

3.

When assessing the risks, the director shall at least include:

a.

the nature of the offence, the public unrest caused by the offence, and the assessment of the risk of flight or recidivism,

b.

relevant experiences regarding previously enjoyed leaves,

c.

recent report regarding the juvenile and his conduct within the institution.

4.

The director may determine that the leave shall take place under supervision or guard.

5.

The director shall request the Public Prosecution Service for advice if the Public Prosecution Service has issued an execution indicator.

1.

Bij de beoordeling van een te verlenen verlof wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verlof kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.

2.

Als risico kunnen worden aangemerkt:

a.

onttrekking aan het verblijf in de inrichting,

b.

weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van onttrekking aan de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel,

c.

gevaar voor recidive,

d.

maatschappelijke onrust als gevolg van het verlof,

e.

vermoeden dat het verlof zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik dan wel poging tot invoer van ongeoorloofde voorwerpen in de inrichting,

f.

twijfel over het nakomen van afspraken,

g.

agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van het verlof,

h.

het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen,

i.

een mogelijke ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of een anderszins bij het delict betrokkene,

j.

het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.

3.

Bij de inschatting van de risico's betrekt de directeur in ieder geval:

a.

de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar,

b.

relevante ervaringen bij eerder genoten verloven,

c.

recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.

4.

De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder begeleiding of bewaking.

5.

De directeur vraagt het openbaar ministerie om advies, indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.